22 mei 2018

DE NIEUWE FIERTEL FANIONS



Op zaterdag 2 juni stelt N-VA Ronse in Villa Portois aan het Malanderplein haar volledige lijst voor de gemeenteraadsverkiezingen voor. De spindoctoren en andere communicanten van de partij hebben duidelijk iets met historisch geladen Ronsese tempels. In het ooit legendarische Park Lagache van Club Ronse meldde de N-VA eerder al dat Brigitte Vanhoutte als eerste vrouwelijke lijsttrekker in de geschiedenis van de Ronsese politiek de lijst zal trekken voor oktober. Op 2 staat Wim Vandevelde. Bij De Maatschappij van Dragers en Bellemannen met of zonder medaille wordt de uittredende OCMW-voorzitter en schepen van Financiën net als het schrijn van Hermes zelf op de schouders gedragen als goed gebekte ‘primus inter pares’. Om het bij het gebruikelijk BDW-idioom te houden. Op 3 staat beginnend bokser Aaron Demeulemeester. Goed voor één eerste match mét al meteen een eerste zege achter zijn naam. In de boksring welteverstaan.

Bij de CD&V Ronse komt er zo te horen voorlopig nog altijd geen presentatie van de hele lijst. Het lijkt daar dus zoals ze dat in Ronse zeggen meer en meer op een 'laasteg kinderbeede’. Want ook na de Ijsheiligen die nochtans afkoeling hoorden te brengen blijft het daar voorlopig bij die ene witte rookpluim voor de onbetwiste lokale paus van de Ronsese christen-democraten Luc Dupont die zichzelf opvolgt als kopman en daarbij rekent op zijn burgemeestersbonus.

Volgens CD&V-Ronse voorzitter Patrice Dutranoit wordt op dit moment wel de ‘laatste hand gelegd aan de lijst’. Die laatste hand... ligt duidelijk niet zo voor de hand. Er is dan wel in de coulissen sprake van een verrassend sterke lijst met voor elk wat wils. 'En ge gaat zien, een heel sterke vrouw op onzen 2'. Het zal nodig zijn. Al was het maar om ‘le transfer du sciècle’ Brigitte Vanhoutte (van CD&V naar N-VA) van antwoord te dienen. Op 3, 4 en 5 zwaaien schepenen Ignace Michaux, Joris Vandenhoucke en Jan Foulon voorlopig vooral met de nieuwe 'schone' Fiertel Fanions naar malkander.

De pijn van het schrijn.
Zoiets zal het zijn.

Moge Hermes zondag
eenieder genezen van
de truken van de ander.

(Illustratie Michel Provost).

20 mei 2018

WALKING WITH HERMES



Het Fiertelgevoel warmt je lijf.

Een glimlach.
Een handdruk.
Een kus.
Een knuffel.

Voor de ene een societytoestand.
Voor de ander een populariteitstest.
Een queeste naar zingeving en betekenis.
Een checklist van levenden en doden.
Wat nog overeind blijft. Wat afgesmeten is.

De Fiertel stapt de trage wegen rond Ronse af vanuit het donkere verleden en het vaak genadeloze heden naar hoopvol beterschap. Zoveel torsen we mee als essentiële oliën van het leven.

Het ware Fiertel-gevoel is met de mooiste metaforen niet te beschrijven. Je moet het zelf beleven: niet één keer, keer op keer.
Wie zelf nooit achter de bellen aan stapt, mist magisch-realisme op stapschoenen achter het schrijn.

Nooit is Ronse mooier dan op een Fiertelzondag.

Achter dat schrijn.
Op het ritme van de bellen.


Fragment uit ‘HERMES’.
In Ronse verkrijgbaar op de Dienst Toerisme (Spaans Kasteel). In Oudenaarde bij Boekhandel Beatrijs. In Ronse tevens op de Rooseveltplaats bij Michel Vandenhende In de Ninovestraat ook bij Gregory Van Stals. Gesigneerde exemplaren op aanvraag op de genoemde adressen.
(Foto met dank aan Ronny De Coster/ Het Laatste Nieuws).

18 mei 2018

TOUT LE MONDE IL EST BEAU



‘Poil de Carotte’.

La Peugeot 203 toit ouvrant sur ciel bouché s’enfonce dans les ruelles de La Trinité . Tous les regards se plongent sur moi. Jules Renard? Connais pas. J’en suis toujours à Marie Chapdelaine, ses chaumières et ses nounours. Le Grand Meaulnes qui me casse les coucougnettes. Je vous parle d’un temps que Coeur de Pirate ne peut pas connaître. Nono m’observe très satisfait de lui. Ma déconfiture a tout pour lui plaire.

‘Le malheur d’un con fait toujours plaisir à voir’.

Je pique un girophare à l’arrière de la Peugeot. Il s’en tape éperdument, Nono. Il me considère comme ce rabat-joie venu du plat pays. A se farcir le temps des vacances. A lui les amazones juteuses en Solex, genre Janique Aimée à la télé. Il me laisse les béguinages d’un ciel Flamand si bas qu’un autre écorché vif que moi s’y est perdu avant de venir grater sa gitare au Lapin Agile. Toutes les choses de la vie, je viens les découvrir par tout ce que Nono voudra bien m’en dévoiler. Lui qui connaît si bien les divas du Golfe Drouot. Lui qui sait tout sur le zizi, même celui du pape.

‘Poil de Carotte, moi?’

C’est tante Nini avec son tendre sourire éternel, qui m’a rasé la boule à zéro. Question de déclarer une fois pour toutes la querre totale aux puces qui hantent nos collèges et patronages d’avant Napoléon. Nono est mon héros. Il sait tout ce que moi, le moins que rien entre tous les Petits Riens réunis du Padre Pio, j’ignore encore.

‘Comment ils ont fait pour nous faire nos vieux’.

Queue basse je capte tout en vrac. Les maladies honteuses des coulisses de Pigalle, la chaude pisse, la folie de Guy de Maupassant à quatre pattes. Flaubert et son complice Théophile Gaultier en Egypte.

Tropiques du Cancre Nono.


Je l’écoute des heures durant. Bouche bée. Docile comme un chien perdu sans papa. Vu que mon géniteur a eu la bonne idéé ou plutôt l’envie pressante de me concevoir (avec déjà le mot con en germe) très date limite. In extremis. Juste avant de disparaître comme un voleur de destin (le mien) dans la nuit étoilée. Selon les dires des bonnes Soeurs de la Miséricorde pour y préparer d’avance ma place tout près de lui au paradis des fantômes.

Quant à Nono: la vie lui fait visiblement le plein de cadeaux. Blazer bleu nuit. Noeud papillon avec ou sans Bécaud. Pantalon au pli parfait. Le tout à mettre Yves Saint-Laurent sur le cul, façon d’écrire.

Le vent est au rire.
Le vent est au blé .

Six décennies plus près des étoiles je m’interroge. Je l’ai perdu de vue depuis belle lurette mon Nono. En scribrouillant les dernières tranches de cette étrange de vie je pense à lui et à tout ce beau petit monde enseveli.

J’en vois qui
revendiquent
qui protestent.
moi je ne demande rien
ni à la lune
ni aux diseuses
de bonne fortune.
je ne fais qu’un geste
le temps qui me reste
j’écris de jour
j'écris de nuit
tout en écoutant
du dehors l'incessant
tapage de l'éphémère
la futilité des bruits.


Je trempe ma plume à l’encre de l’imagination d’une autre vie.
Dans laquelle tout le monde il est beau et tout le monde il est gentil.

‘ETRANGE DE VIE'.
Ceci est un extrait de French Collection.
Copyright: Stéphane Vancaeneghem.
(Illustration: Michel Provost).

14 mei 2018

VRIJBLIJVEND

NATIONALISME ALS PLACEBO



Overal en nergens zitten ze. Zij die ons houvast gaan verschaffen. Die ons hun vijandbeelden aanreiken. Die de hunker naar het ‘eigen volk eerst’ aanpoken. Het alomtegenwoordig razendsnel mutatievermogen van de octopus genaamd nationalisme in al zijn zachte en harde uiteenlopende verschijningsvormen is echter zelf een onderdeel van het Europese probleem: niet de oplossing. Nationalisme is het symptoom, niet het geneesmiddel. In ‘Nationalisme’ (Amsterdam University Press) diagnostiseert Joep Leerssen de ziekte, fileert hij vlijmscherp de placebo. Met indrukwekkende eruditie.

Rodenbach (nièt het pittig bruintje) met zijn Blauwvoet. Conscience met zijn ridderheroïek. Jan Breydel (met zijn stadion, zijn gerookte ham) en Pieter De Coninck (met zijn wevers en zijn Bolleke) ze krijgen allemaal hun herziene versie in de heldenverering die ons als pubers is meegegeven in tal van liedekijns, blauwvoeterie en kleffe priester-lerarenfrustratie. Het was lang voor ‘Kartouchke’ van wentelpater Versteylen en de bevrijdende lichte meisjes van Louis De Lentdecker. Maar wat is nationaliteit en waar gààt dat nationalisme dan eigenlijk wel over?

Dat vraagt de Franse auteur Ernest Renan zich in 1882 al af in Qu’est-ce qu’une nation? Renan schrijft zijn inmiddels tot klassieker verheven werk uit pure Franse koleire na de Pruisisch-Duitse annexatie van Elzas-Lotharingen in 1871. Hij pikt het niet dat zijn goede vrienden, de kamergeleerden Mommsen en David Friedrich Strauss die Pruisische annexatie zomaar vrolijk goedpraten, zogezegd ‘op antropologische en historische gronden’. (Zoals Heiddeger in zijn Zeit even de andere kant opkijken zou vanop zijn universitair nazi-zitje. Zoals Jean-Jacques Rousseau lang voor hem vrolijk tal van kinderen verwekte die dan volgens zijn persoonlijk Contrat Social gerust te vondeling mochten worden gelegd. En vertu des grands principes et des grands sentiments.)

Nationalisme als verrekijker om een grijs verleden dichterbij te halen en goed te praten? Het geeft je een tunnelvisie. Het blokkeert het hele perifere middenveld om je heen. Eer je het in de gaten krijgt, kom je zoals William Butler Yeats (de gangmaker van de Irish Literary Revival ) en Manuel Murguia ( de voorman van het Galicisch regionalisme) uit op de mistige mythen van de Kelten zonder nog het plaatje van vandaag te zien. Wat schiet je ermee op, in een Europa dat van binnen ondermijnd wordt door Europa-haters van Hongarije en Polen tot Italië terwijl ondertussen globalisme, Trumpisme, internationaal monopolisme, brutaal neo-liberalisme de plak zwaaien boven het opgewarmd hoofd van de Europese zwerfvuil-plogger aan de zelfkant.

Veel van die Europese uitdagingen vandaag hebben volgens Joep Leerssen, hoogleraar Europese Studies Universiteit van Amsterdam, te maken met de verdamping van de oude Europese kolonïen en de instroom van migranten uit die voormalige koloniën of Europese periferieën. Hun hardnekkige belijdenis van een diep gevoelde religieuze identiteit staat in die snelle evolutie haaks op wat in het een gemaakte Europa als een voortschrijdend en onomkeerbaar moderniseringsproces wordt beschouwd: secularisatie en scheiding tussen kerk en staat. Ondertussen moeten de Europese landen ook nog altijd in het reine komen met de diepgewortelde herinneringen aan hun onderlinge vijandschappen en strijdige belangen. En met alle vastgeroeste clichés van dien. De oppervlakkige Fransman. De bier heffende Duitser. De linke Griek. De gemene Brit. De Belgenmop omtrent Papy la Frite. Die verdeeldheid probeert Europa wel nog zonder veel resultaat te bezweren met de sleetse formule van eenheid-in-verscheidenheid. Dwars door dit alles heen dendert dan ook nog de polarisering tussen islamisme en etno-populisme.

Overal en nergens zitten diegenen die in deze verwarde situatie houvast zeggen te verschaffen, hapklare vijandbeelden aanreiken, de illusie van een vage eigen identiteit. Volgens Ernest Renan is nationaliteit echter een houding, een zich-bekennen-tot-de-natie. Mensen hebben een nationale identiteit, niet omdat ze dat als natuurwet of noodlot opgelegd krijgen, maar ten gevolge van een keuze, een identificatie. Die identificatie is vaak impliciet en vanzelfsprekend. Het is voortdurend hernieuwde volksraadpleging. Wie de wetten gehoorzaamt, belastingen betaalt, het landelijk gezag als het zijne of het hare aanvaardt en zich herkent in de gemeenschappelijkheid van de nationale samenleving, bekent zich ipso facto tot een nationaliteit.

Eenieder kan zich vandaag nog steeds vinden in Renans anti-deterministisch voluntarisme. Dat legt de klemtoon, niet op de omstandigheden waarin naties ontstaan, wel op de concrete keuzes die binnen die omstandigheden worden gemaakt. Als daar zijn: de scheiding tussen kerk en staat. Secularisatie. Burgerlijke mondigheid. Gendergelijkheid. In dit land en binnen het wettelijk kader: abortus en euthanasie. Freedom of speech.

Dat is het, heel concreet. Mijlenver van vage ongrijpbare abstracties als ‘identiteit’ of ‘cultuur’ die ons zoals in de teletijdmachine van professor Barrabas willen terug mikken naar de bevlogen en vervlogen romantiek en de mythologie van het zogenaamde Oude Avondland. Onder de sterrenhemel bij het kampvuur. Banjo in aanslag, muurbloempje in het geruite hemdsknoopsgat.

Oh breng me terug
naar die ouw Transvaal,
daar waar me Sari woon.


VRIJBLIJVEND.
Percepties & Impressies.

26 april 2018

VRIJBLIJVEND

WELKE LADING
ONDER WELKE VLAG?

VAN NATIONALISME
VERBONDENHEID
VERBEELDING &
ONWRIKBARE HOOP




Doorgeschoten tolerantie. Sociale onverschilligheid. Teloorgang van burgerlijk fatsoen. Verruwing van de samenleving op straat, in het verkeer, in sportclubs, op speelpleinen, op de schoolkoer, erosie van de normen, minachting voor elke vorm van gezag. Alle morele zwakten van onze huidige samenleving zouden dus hun wortels hebben in de late sixties. Dit alles zou toen zijn opgeofferd aan ongebreidelde vrijheidsdrang.

'Ik kan mij niet anders herinneren dan dat 1968, het jaar dat de verbeelding de macht probeerde te grijpen en de jaren die erop volgden in een kwaad daglicht worden gesteld', schrijft Femke Halsema in haar essay voor De Maand van de Filosofie. De verbeelding die toen van onder de kasseien kwam open bloeien, kan volgens haar echter beter worden gedefinieerd door Richard Rorty:

'Vooruitgang wordt afgemeten aan de mate waarin we onszelf verbeteren. Het antwoord op de vraag wanneer we ons als gemeenschap en als leden ervan verbeteren, is als we onszelf en elkaar - en vooral de meest kwetsbaren onder ons – beter weten te vrijwaren van vernedering'.

Femke Halsema: 'Progressiviteit is een diffuus, verwarrend begrip dat vaak meer zegt over degene die het gebruikt dan over de maatschappelijke en politieke stroming die het poogt samen te vatten. Ik definieer progressief niet enkel als verandering- of hervormingsgezind. In dit geval is het een lege, richtingloze term die zowel het neoliberalisme van Reagan als de sociale hervormingsbeweging van Bernie Sanders kan omvatten. Progressiviteit is noch een politiek doel, noch een partijpolitieke slogan. Het is een geestesgesteldheid, een onophoudelijk en hoopvol streven naar een rechtvaardiger, eerlijker en open samenleving, in het besef dat deze zich nooit volledig zal verwezenlijken.

Progressieve politici die zich buiten de discussie over de nationale identiteit plaatsen of deze als conservatief en eng-nationalistisch terzijde schuiven, doen zichzelf tekort. Zij zijn de dragers van een traditie die aandacht, verdediging en waardering verdient.

Door de weerzin tegen nationalisme kan de collectieve herinnering verarmen en kunnen er belangrijke delen uit verdwijnen of er alleen als karikatuur in voortleven. Rorty merkt niet voor niks op dat een betekenisvolle discussie over de toekomst van de samenleving alleen kan plaatsvinden als er een zeker nationaal bewustzijn is'.

For Sale: Alaska

In 1983 publiceert de Amerikaanse antropoloog en politicoloog Benedict Anderson ‘Imagined Communities. Reflections on the Origin an Spread of Nationalism’. Een nationale identiteit is volgens Anderson een sociaal bouwwerk, een ‘verbeelde gemeenschap’ die mensen op de schaal van een natie in staat stelt zich met elkaar verbonden te voelen. Dwars door grote klasse verschillen en sociale tegenstellingen heen kan daardoor een diepe en gelijkwaardige kameraadschap ontstaan. Een natie is in de definitie van Anderson vooral een begrensde en soevereine politieke gemeenschap die in de loop der jaren van vorm kan veranderen, waardoor er nieuwe naties kunnen ontstaan en oude kunnen verloren gaan.

In 1994 beschrijft Anderson hoe de Amerikanen Alaska in 1867 kochten van de Russische tsaar, hoe het sindsdien onvervreemdbaar deel is van de Verenigde Staten. Omgekeerd heeft de dekolonisatie (van bv ‘Belgisch-Kongo’) geleid tot bijstelling van de nationale identiteit: zowel in de voormalige koloniën als bij de kolonisator.

Vanzelfsprekend erkent Anderson het gevaar van nationalisme. Maar dat komt volgens hem door de verwarring tussen nationaliteit en etniciteit.

De oude Europese naties zijn nooit zo gesloten geweest als tegenwoordig. Nu pas doet zich het verschijnsel voor dat men bijvoorbeeld denkt dat ‘Britsheid’ iets te maken heeft met het bloed in plaats van met de cultuur. Dat is voor Halsema geen nationalisme maar domweg racisme. Het is het geforceerd laten samenvallen van de nationale identiteit met een etnische identiteit.

Voor Femke Halsema ligt het belang van het werk van Anderson in twee centrale elementen van zijn redenering. Nationale identiteit is een product van de verbeelding. Niet in de zin dat ze ingebeeld is of onecht, maar dat zij geconstrueerd wordt in gezamenlijk bewaarde, herinneringen, verhalen die telkens opnieuw worden verteld waar grote culturele betekenis aan wordt toegedicht en in nieuwe ‘tradities’ (bijvoorbeeld Sinterklaas vanaf de negentiende eeuw).

Ten tweede is nationalisme, anders dan meestal wordt verondersteld, niet per se een conservatief of reactionair verschijnsel. Anderson vindt dit een kostbare vergissing: 'In ons tijdperk is het gebruikelijk voor progressieve kosmopolitische intellectuelen om het nationalisme te associëren met een bijna pathologisch karakter, wortels in angst en haat jegens de Ander, en een verbondenheid met racisme. Het is nuttig onszelf eraan te herinneren dat naties ook tot liefde en zelfopoffering inspireren. De culturele producten van nationalisme – poëzie, proza, muziek en beeldende kunst – laten deze liefde heel duidelijk in duizend verschillende vormen en stijlen zien'.

(Wat is er mis met La Flandre Profonde en Belgetude als dwars doorheen de schone schijn en de burgerlijke beschetenheid de universele thema's van groeipijnen, verlangen, verlatenheid, verbondenheid, vrijheid, liefde, vriendschap, verraad, verzet, noodzaak en toeval belicht worden. Ik vraag het hier aan, als Vlaams - Belgisch auteur in de marge van mijn eigen snel weg tikkende tijd-svc).

Nationalisme is voor Femke Halsema - beter heet het patriottisme of vaderlandsliefde - wel degelijk verenigbaar met progressieve waarden als openheid, tolerantie of kosmopolitisme. Het vermogen om de vreemdeling welkom te heten, kan juist een belangrijk deel van de nationale identiteit zijn. Of zoals verzetsstrijder, dichter en medeoprichter van Vrij Nederland H.M. van Randwijk het schrijft in zijn Manifest uit 1947 (tegen de politionele acties in Indonesië):

‘Mijn volk wortelt niet in de duistere driften van bloed en bodem, maar in een erkenning van normatieve zedelijke beginselen. Die wil ik toegepast zien en daarom wijs ik een koloniale oorlog af.’

The powers that be



In zijn column voor De Standaard heeft Paul Goossens (In ‘De dictatuur van het nieuwe normaal’) zo zijn bedenkingen bij die opgefokte hedendaagse ‘identiteitsclash’.

Paul Goossens: 'Je kunt er moeilijk omheen dat de ‘cultuuroorlog’ die het rechtse populisme al meer dan twintig jaar oppookt de wind in de zeilen heeft. Het is erin geslaagd om alles wat met identiteit te maken heeft tot staatszaak op te kloppen en er de publieke opinie voor te mobiliseren. En het valt op, omdat het debat steeds meer een symbolenstrijd wordt die steeds minder ruimte laat voor rationele argumenten, dat verruwt de discussie.'

Essentieel hierbij is voor de legendarische studentenleider de thematische shift: weg van de sociaal-economische tegenstellingen, prioriteit voor de identitaire confrontatie.

'Omdat ze geobsedeerd is door de mythe van het ene volk en de homogene natie wordt sociaal-economische ongelijkheid onder het tapijt geveegd en de culturele ongelijkheid volop in de verf gezet en systematisch bestreden. Vandaar de allergie voor het afwijkend gedachtegoed, zeker als het van minderheden komt.'

En, in zijn essay over 1968 Het jaar dat niet wil sterven' (een warme aanrader): 'Na nine eleven kreeg het Westen er een nieuwe vijand en een nieuwe oorlog bij: de war on terror tegen de politieke islam. Veel conservatieven zagen het nog ruimer: Een oorlog tegen de islam tout court. Omdat de islam nu de westerse vijand nummer één werd, was de conservatieve kerk aan een ideologische update toe.

Twee eeuwen lang was ze een uiterst koele minnaar van de verlichting, met de moslim in de buurt werd een koerscorrectie onvermijdelijk. De verlichting werd tot een aanvalswapen tegen de islam omgebouwd. Niet de hele verlichting natuurlijk, wel een verlichting op maat van de bange, witte conservatief. Een verlichting kortom, met minimale aandacht voor het watermerk bij uitstek van de verlichting, gelijkheid. Door de sixties als schietschijf te behouden, konden enkele fundamenten van de verlichting worden getroffen. Gelijkheid natuurlijk, maar evengoed dat andere watermerk van ’68, de anti-autoritaire reflex, die altijd de proloog van het kritisch denken en van de emancipatie is. Elk ongebonden denken en emancipatorisch proces begint tenslotte met een afwijzing van de praatjes en weetjes, de normen en privileges van the powers that be.’

Impressies & Percepties

‘Macht en Verbeelding’. Femke Halsema.
‘1968. Het jaar dat niet wil sterven’. Paul Goossens. Epo.
‘Nationalisme’. Joep Leerssen. Amsterdam University Press. Elementaire Deeltjes.


Illustraties: Cover van mijn romanbundel bij Manteau 'Belgetude' .
'Eenzelvigheids'kaart van mijn grootvader Rémy, een eeuw geleden afgeleverd in Ronse (via Kwaremont afkomstig van Wortegem, eigenlijk van Kanegem enz).

19 april 2018

VRIJ BLIJVEND

HAND IN HAND:
VROUW & MAATSCHAPPIJ




Voor de Engelse filosoof Thomas Hobbes (1588-1679) worden we van nature gedreven door passie. Die uiten we in verlangen en afkeer. Goed is wat ons bevredigt, slecht wat ons afkeer inboezemt. In deze natuurstaat zijn we zelfzuchtige wezens, gericht op handhaving en lotsverbetering. Voor Hobbes is zo’n samenleving volstrekt onleefbaar. Door onze bereidheid tot vechten om onze macht uit te breiden en te verzekeren wordt ons leven volkomen wreedaardig en is de mens een wolf voor zijn medemens. Of zoals de Romeinse schrijver Plautus het in zijn toneelstuk Asinaria schrijft: lupus est homo homini.

Vanuit onze angst om een gewelddadige dood te sterven, sluiten we noodgedwongen onderling een contract. Daarbij doen we vrijwillig afstand van onze vrijheid en onze natuurlijke rechten om ons te onderwerpen aan de hogere macht, vertegenwoordigd door de staat. Hobbes noemt die de Leviathan naar de naam van een reusachtig bijbels zeemonster. De staat wordt met zijn monopolie op geweld een noodzakelijk kwaad dat de oorlog van allen tegen allen aan banden legt. Goed is de wil van deze oppermacht. Om elke vorm van anarchie onmogelijk te maken, laat Hobbes de leiding over de gemeenschap berusten bij een absoluut soeverein. John Locke (1632-1704) die vaak wordt beschouwd als de grondlegger van het – filosofisch - liberalisme wijst echter prompt dat quasi ongeremd absolutisme van soeverein en staat af.

Hij pleit
voor het doen
primeren
van rede
op religie.


Universele waarheid

Hoogst relevant tegenover de waan van de dag vind ik Giovanni Pico della Mirandola (1463-1494). Deze Italiaanse renaissancehumanist is vooral bekend van zijn Oratio de dignitate hominis. Bij de 99 stellingen die hij in 1486 wil verdedigen in Rome betrekt hij zowel de joodse kabbala als de Arabische filosofie. Zijn oratio zal hij nooit mogen uitspreken: de paus vindt 7 stellingen 'onorthodox', 6 ervan 'dubieus'.

Pico della Mirandola gelooft in één universele waarheid die gedeeltelijk te vinden is in allerlei systemen. Hierin legt hij de basis voor zijn tolerantie. In de kosmos heeft de mens de plaats die hij zelf verovert. Die mens kan ontaarden in dierlijk gedag, maar kan zich ook verheffen. Tegenwoordig, beste Pico, zijn dieren met hun 'dierlijk gedrag' als levende wezens vaak beter af dan mensen met hun splinterbommen en zenuwgas. Doch dit terzijde. Mooi aan Pico della Mirandola vind ik dat hij zich als een van de weinige renaissancefilosofen verzet tegen astrologie: omdat ze de mens als geestelijk wezen afhankelijk maakt van sterren.

Terwijl die mens
eigenlijk zelf
zijn lot in
eigen hand heeft.


Hand in Hand

Bij de commotie over handjes drukken van vrouwen denk ik met respect terug aan een paar fantastische vrouwen, die mét of zonder mannelijke handdruk, onze wereld op hun manier wat beter mooier en in alle gevallen menswaardiger hebben gemaakt.

Lucienne Herman-Michielsen, die grondwettelijke erkenning afdwong voor vrijzinnigen naast de al bestaande van de erkende erediensten. Die ook samen met Roger Lallemand in april 1990 ondanks verzet en de omstreden stap-opzij-truc van koning Boudewijn met een wisselmeerderheid de wettelijke regeling voor abortus onder bepaalde omstandigheden geregeld heeft gekregen.

Minister van Staat Miet Smet die Vrouw & Maatschappij opricht. Die het tot eerste staatssecretaris voor Leefmilieu schopt. Die de Maatschappelijke Emancipatie op de agenda van de macho Wetstraat tilt.

Paula D’Hondt die voor haar immens werk als Koninklijk Commissaris voor Migrantenbeleid t zeer terecht zowel de Ark Prijs van het Vrije Woord als de Prijs voor Democratie krijgt.

Al die vrouwen
die druk ik
bij deze de hand.


Impressies & Percepties.
(Illustratie Frank Derie)

12 april 2018

BOEKVERBRANDING IN RONSE

NA ZIJN PROVOCEREND
APART LOKETTENVOORSTEL:

ERIK TACK WIL
NU OOK VERSCHRALING
FRANSTALIG BOEKENAANBOD
IN RONSESE BIB




In een pagina vullend interview met Frans Crols, voormalig directeur van Trends in ’t Pallieterke toont Ronsies raadslid Erik Tack (Vlaams Belang) het achterste van zijn tong over zijn discriminerend voorstel tot aparte loketten voor Franstaligen in zijn geboortestad. Tack wou er BDW en de N-VA en hun partners van CD&V en Open VLD een keer toe dwingen de onderling afgesproken taalvrede met premier Charles Michel op te blazen.

Hoogst explosief is alvast dat Erik Tack
nu ook ‘een minimum aan Franstalige boeken’
zegt te willen overhouden in de Ronsese bib.
U leest het goed.

Winterreise
door het Ronsese
leesaanbod.


'Dokter Tack, zo meldt ons 't Pallieterke, 'is een kunstliefhebber met een hart voor de schilderkunst van de zestiende en de zeventiende eeuw. Na jaren pianolessen, die tot weinig hebben geleid, legt hij zich toe op zang en voert met een bevriende pianist (de nieuwe directeur van de Academie Vlaamse Ardennen Pascal De Vreese-svc) de liederencyclus Winterreise van Franz Schubert op.

Hieronder een overzicht van het zo genoemd 'Salamiplan' van deze kunstminnende en hoogst verfijnde Franse boekenbanner.

Tack: 'Om de twee maanden moet er een facet van de taalfaciliteiten verdwijnen in Ronse. Dus, bijvoorbeeld geen berichten meer bestemd voor de bevolking in de twee talen. Geen taalexamens meer voor de leerkrachten van de basisscholen die in Ronse lesgeven en vast benoemd willen worden, hoewel dat geen gemeentelijke bevoegdheid is. De tweetalige wegaanduidingen, die de indruk van diepgaande tweetaligheid wekken, moeten weg. Het taalexamen Frans voor het gemeentepersoneel, waardoor zeer dikwijls waardevolle kandidaten niet in aanmerking komen, dient geschrapt te worden. Door de faciliteiten vormt Ronse een politiezone van één gemeente, met problemen om het kader in te vullen. Weg daarmee. In de bibliotheek is er een minimum aan Franstalige boeken, wat voor de stadskas van Ronse een extra besteding is in vergelijking met de buurgemeenten. Je vindt hier geen vestigingen van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, met gevolgen voor de kwalitatieve tewerkstelling. En ga zo maar door. Ik wil systematisch schijven snijden van de salami die de taalfaciliteiten zijn.'

Tot zover de salami van Tack.

DE LAATSTE DOET HET LICHT UIT.

Eric Tack komt met zijn salami aardig in de buurt van die andere beruchte Ronsenaar: professor Hendrik Vuye de gewezen Kamerfractievoorzitter van de N-VA die nu met zijn eigen dissidente minifractie Vuye-Wouters zijn opvolger Peter De Roover het vuur aan de schenen legt en de N-VA communautair onder druk zet.

Op het anti-Franstalige boekenvoorstel van Tack na dan, zo mag bij deze tenminste verhoopt worden. Hendrik Vuye is namelijk zelf...prof staatsrecht aan Franstalige faculteiten. Zo niet dimmen de Lumières samen met de duizend lichtjes van Ronse op één lentenacht in de Nacht und Nebel van het obscurantisme.

De zogeheten 'zachte' Vlaams-Nationalisten (om hun lokale stichter Paul Carteus hier te citeren) spinnen overigens op dit moment een nogal mistig 'strikkend' web rond de achterban van de taal-extremistische die hards (eerst rond Hendrik Vuye, nu rond Vlaams Belanger Erik Tack). Dit kadert volkomen in hun poging om vooral de macht van CD&V Ronse rond roestvrij burgemeester Luc Dupont, boegbeeld van de Ronsese verbondenheid maar een keer te breken. Surfend op de gunstige opiniepelingen. De N-VA Ronse ronselt met dat achterbaks gespin, om een geladen titel van wijlen Louis De Lentdecker te parafraseren ‘Tussen twee vuren’.

Nu de socialisten na een oppositiekuur in hun werkplaatsen en onder witte lentebomen naar hun tweede adem happen en Groen Ronse met zijn nieuwe Ronsenaars uit Antwerpen en Gent met traag voortschrijdend inzicht communautair zwaar leergeld betaalt, krijgt de door Alexander De Croo weer verenigde Open VLD Ronse hier een unieke kans om de vrije gedachte de rechtmatige plaats terug te geven die in Ronse blijkbaar nu aan een zware zonsverduistering toe is.

09 april 2018

Les Lumières Tamisées.



Claire Demortier, Carlos Anckaert, dokter Jean-Marie Hospied en de andere pioniers van Groen Ronse (dan nog Agalev) verslikken zich bij deze in hun wereldkoffie.

‘Pour la toute première fois,
les écologistes de Groen Ronse
se présentent seuls
aux élections communales’.

Zo staat het er, in een zeven kastanjebomen verslindend alle bussenblad van Groen Ronse vanochtend.

In tijden van Twitter is kennis van voorgeschiedenis dus niet langer relevant. Schatte Andy Warhol het wereldberoemd wezen nog in op vijftien minuten, dan wordt hij ondertussen voorbijgesneld door het hic et nunc van elkeen zijn flitsmoment eeuwige roem. Wie nog perspectief zoekt, kan het schudden. Groen Ronse surft bijgevolg dan ook maar - wars van enige Ronsese voorkennis - vrolijk voort in beau langage .

Ave’ dessus
des poils comme ça,
de ci de là m’fi.


De protestbrief van burgemeester Orphale Crucke tegen de Sint-Michielsakkoorden van premier Jean-Luc Dehaene, de brief van burgemeester Luc Dupont aan premier Yves Leterme, de motie van het huidig stadsbestuur aan premier Charles Michel : à la poubelle tout ça. Ziehier het addertje onder het groene gras:

‘Vous connaissez
des Renaisiens non-Belges
qui peuvent
voter en octobre?’

(Bij onze ingoede poësisleraar Hedwig Rosselle kregen we hiervoor een ‘plus est en vous’. Maar bon, soit).

Groen probeert dus eigenlijk met dat Frans alle Albanezen en Chinezen en de eenentachtig (81) andere nationaliteiten van Ronse te lijmen voor oktober.. in de taal van Les Fourberies de Scapin.

Je zal hier maar Pool wezen. Of gaat het Groen in werkelijkheid vooral om de mensen van den ‘bassin méditerranéen’: doorgaans meer vertrouwd met de francofonie van mijn personal hero Albert Camus?

Groen wil dat het stadsbestuur van Ronse bovendien ook nog eens zèlf zo’n lijmcampagne opstart (op onze kosten dus) en hiervoor samenwerkt: ondermeer met de lege kerken en volle moskeeën van Ronse. Bij deze gaat De Verlichting even uit. Les Lumières Tamisées pour les besoins de la cause?

Ik vrees dat ‘Dany Pompier’ zoiets niet echt ziet zitten. Zo te lezen aan een post van hem op Facebook in een reactie op een bericht van de Ronsese N-VA schepen Wim Vandevelde over een zogeheten ‘Islampartij’ die aparte bussen voor mannen en vrouwen wil. Dany windt er heu geen doekjes om. Dany ziet (bij wijze van schrijven) maar één alleenzaligmakende oplossing: ‘Stemverbod aan mensen met een islam geloof'.

Dany Pompier? Connais pas? Ken je voorgeschiedenis, Groen Ronse. Dany en zijn marchandise, dat zijn de diepste spicks & specks van Ronse. De speekies en de leekies de Renaix. Dany staat ondertussen zelf wel elk jaar vroom met zijn eigen geloof in de heiligenpostuurkens die hij er aan de pelgrims slijt, naast de kapel van Kerselare. Tja elk zijn geloof in zijn kiezers en zijn kalanten.

Ien Ronse ees dat iet. Of zoals Albert, één van de legendarische knechten van het Sint-Antoniuscollege, in zijn eigen koetertaaltje had gemopperd: 'La commerce reprend'.

26 maart 2018

VRIJBLIJVEND

HOUDBAARHEIDSDATUM



Het ouder worden zit je op de hielen. Als een stalker die zich aan geen enkel afstandsgebod houdt. Daarvoor niet eens kan worden aangeklaagd.

Intenser dan ooit wordt, met de voortschrijdende jaren, het genot van het goed gesprek. Misschien ook het genoegen dingen voor jezelf en voor anderen op te schrijven. Maar het goed gesprek gaat mis wanneer niemand nog luistert en er op de vele mensen die iets te vertellen hebben (op Facebook, Instagram, Messenger zeg het maar) door de veelheid van meningen nog slechts weinigen zitten te wachten om hun oor te lenen voor hét echte gesprek.

Van onschatbare betekenis bij het ouder worden is de vriendschap.
Vertrouwdheid is de schoonheid van de vriendschap.
Vriendschap voor een mens van wie je niets verlangt, niets verwacht.
Met wie je simpelweg graag samen bent.

Hanna Arendt constateert op haar 67ste dat er in haar vriendenkring al velen dood zijn. Deze transformatie van haar wereld vol vertrouwde gezichten ziet ze als een woestenij bevolkt met allemaal vreemde gezichten. In december ’73 schrijft ze daarover naar haar vriendin Mary McMarthy. Ze heeft het over ontbladering en van ontbossing van haar wereld. Het is niet dat ze zich zélf uit de wereld terugtrekt: het is veeleer haar wereld die gaandeweg verdwijnt.

*

Je eigen duiding
van het leven
is het hoogste gerechtshof
van je bestaan.

Jezelf zijn en blijven altijd.
Met je gevoelens en je wil.
Met je bewustzijn en je gedachten
die inhoud krijgen door
je sociaal en cultureel vormingsproces.
Noem het voortschrijdend inzicht.

De kern van je persoonlijkheid als relationeel universum.
Botsend op de grenzen van taal.
Overgeleverd aan taalspelen, beelden en symbolen.
Als een taalkundig palimpsest.

Met alleen je eigenheid
als innerlijke kracht,
als maatstaf van je eigen wil
die bepaalt of je
in overeenstemming leeft
met je diepste natuur.

**

Er zijn drie regels
voor het schrijven
van een roman.
Jammer genoeg weet niemand
welke het zijn.

(W.Somerset Maugham).

Schrijf door je wanhoop heen.
Herstel wat anderen
belachelijk hebben gemaakt.
Deel je woede.
Verzet je.

Dat het klein is,
hoeft niet te betekenen
dat het niet
universeel zou zijn.
Maak het gewone subliem.

Er kan je veel
ontnomen worden
– zelfs je leven –
maar niet:
je verhalen erover.

Zoek het universele
in het plaatselijke
en reis omgekeerd.

Overstijg het persoonlijke.
Maak je sterk:
voor je verbeelding.
Je spreekt niet
namens de mensen
maar met de mensen.

Vertrouw je lezer.

***

De planeet is geen eigendom
van de nu levenden maar
een erfenis van de doden
bestemd voor de nog ongeborenen.

Elke generatie
heeft de bodem,
de zeeën en de luchten
in bruikleen,
is deze verschuldigd
aan de volgende.

‘Een kleine filosofie van het ouder worden’. Willem Schmid. De Bezige Bij.
‘De kunst van het ouder worden’. Joep Dohmen & Jan Baars. Ambo.Anthos.
‘De ziel. Een cultuurgeschiedenis’. Ole Martin Hystad. Athenaeum-Polak & Van Gennep.
‘Brieven aan een jonge schrijver’. Colum Mccann. ‘De Harmonie’.


VRIJBLIJVEND.
Impressies & Percepties.
Dagboek. Copyright Stef Vancaeneghem

08 maart 2018

SELECTIEF GEHEUGEN



DJU PYGMALION.
DJU TOCH.


Geheeld van
scheve hersenkronkels
en van zielenpijn.


Moet je alles bewaren? Of kies je voor de tabula rasa met al je ouwe papieren, boeken, foto’s, brieven, documenten? Wat moet je ermee met al die paperassen die je alleen maar scherper confronteren met de opdringerige eeuwigheid om je heen in brieven, foto’s, boeken?

Op stap met Jan Schodts in de Wetstraat.
Onderweg met Mark Van Lombeek in de koers.
Op de set van de Leeuw van Vlaanderen met Hugo Claus en Julien Schoenaerts.

Onderweg naar het boek dat ik herlezen wil van Claus bots ik op het opus van Ooggetuige Johan Anthierens, zorgvuldig bijeengebracht door de schrandere Brigitte Raskin samen met Karel Anthierens. Als een burcht tegen de tijd die lang vergleden is. In dat boek vind ik dan weer de laatste foto genomen op de redactie van Spectator door mijn - dan al doodzieke - broer Johan: een foto van hoofdredacteur Jefke Anthierens onze persoonlijke betere taalprof. Ik denk eraan, tussen twee te ledigen dozen door, wanneer er tijdens de generale repetitie van Pygmalion door Theater Voor Taal en Volk tussen twee dedju’s door een stilte valt. Moet ik echt nog alles houden van wat ik van VTV hier in kartonnen dozen zitten heb aan Tavi- en andere relieken? Wat moet ik met deze berg van papier die me gaandeweg overmeestert, er me hopeloos confronterend aan herinnert hoe lang het ondertussen ook alweer geleden is dat Madleeneki dood ging: zo mooi, zo blond en zo doodziek. Samen stil vanop dat balkon naar één van haar opvolgsters kijken onder de luidruchtigheid alom. Herinneringen van papier weg doen is een tweede keer afscheid nemen van wat nooit terugkomt. Dus probeer ik zorgvuldig te selecteren meestal toch nog maar eventjes te houden. We zien wel, maak ik mezelf wijs. Op zoek naar een goed vakantieboek voor een vriend, bots ik op de rekken hier op een parel van Piet de Moor, ooit mijn minzame schrijfbroeder bij Spectator. Blijf er alweer in haken. Zo mooi en zo scherp toch die pen van Piet.

In de wespentaille
van de zandloper
lichten de schubben
van de tijd even op.

Iedereen is zijn
eigen zwarte doos.

Soms ga ik wandelen en gebeurt er niets.
Dan schrijf ik op wat me niet overkomt.


En deze hier die hard aankomt, nu de schrijfvloer om me heen bij gebrek aan lege rekken gaandeweg gevuld geraakt met leesvoer van zielenknijpers allerhande:

Er is niet alleen de naïviteit van de filosofische tekst, maar ook de systematische vlucht van de filosofen uit de werkelijkheid. Peter Sloterdijk vergelijkt hun positie met die van maffiosidochters wier levensgeluk gebaseerd is op het feit dat zij gehuld blijven in een wolk van onwetendheid omtrent de oorsprong van de vaderlijke welstand.

Wegblazen die wolk van onwetendheid, in afwachting van de grote versnipperaar voor mezelf? Het afscheid van elk boek, elk papiertje elke foto ligt lastig en wordt zwaar overwogen. Elke basketploeg op de Steenbrugge wordt weer opgesteld. Elk Gevuigoode Mandoline-lied weer geblazen met het muilschuiverke uit de blikken trommel. Elk scoutskamp met de Ridders van de Fiertel doe ik over. Elke klasfoto ga ik weer helemaal af. De doden worden geteld en forever warm gekoesterd. Elke redactie opnieuw samengesteld. Dedju, Pygmalion. Dju toch. Je hebt geen idee wat tijd vermaalt. Met zijn allen zitten ze hier weer voor even bijeen springlevend in mijn schrijfstekje. Een stoet klasgenoten, collega's, schrijvers, toneelspelers, muzikanten, kunstenaars. Zien ze me hier in mijn eentje altijd maar voort tikken tegen mijn tijd en hun sterren op.

En attendant
le zwarte gat.


Hun tijd zit er al op. De mijne glijdt snel weg in hun richting. Letter na letter. Tot er op een dag geen greep meer is, op de lettergrepen. De nagenoeg zevenhonderd Pluspunten die ik op mijn vrije dagen voor het lokale verschijnsel Plus geschreven heb zijn, zo lees ik hier vandaag door de voormalige hoofdredacteur ervan Robert Hoebeke plechtig overgemaakt aan de Geschied-en Oudheidkundige Kring. Dedju dedju Luc Lamon je bent er even weer, de zelf gedraaide kankerstok onveranderlijk in de monkelende mondhoek.

Aan mijn zoektocht naar ‘Hermes’ en het eindeloos snuffelen in de vaak versnipperde historische bronnen over de Romeinse stadsprefect en patroon van Ronse heb ik hoe dan ook het diepste respect overgehouden voor de stille vorsers van de Kring en hun vaak onwaarschijnlijke opzoekingen in stoffige scriptoria. Als waren het personages van Umberto Eco in ‘De Naam van de Roos’ of van Marguerite Yourcenar in ‘Hermetisch Zwart’ . Mooi, maar of dat de tijd tegenhoudt?

In Gent val ik vanuit knagend heimwee nog een keer binnen in onze aloude journalistenstek The Bridge onder de kathedraal en zie ‘God grijpt in’ zoals Jef Anthierens had gelachen. Onverwacht blij weerzien met mijn oudste broer Pol die, na alle Russen en na wie al niet, nu vooral veel Simenon leest:

‘Want al die filosofie
en psychologie,
het is niet echt mijn ding'.
(Vertaal: 'Eat this, kleine. Er gaat niks boven poëzie. Jij nu, met je rusteloze zoektocht naar zingeving').

Weer thuis bij de voortzetting van mijn grote schoonmaak valt er (echt waar wie kan zoiets bedenken tenzij de god die overal ingreep en toch niet bestond van Jefke ) uit een boek één van de gedichten die Pol me met regelmaat in zijn kalligrafisch handschrift laat geworden per post.

Fiertel.

…Zijn heilige botjes hebben sindsdien vanuit het gulden schrijn,
menig inboorling, en volk van ver in het ronde,
geheeld van scheve hersenkronkels en van zielenpijn,
en –mits boete en dukaten – geabsolveerd van vele zonden.

Laat ons daarom weer fiertelen gaan voor de duizendste keer,
ondanks nazi’s ooit, of nu soms ’t slechte weer,
de magische cirkel trekken die ons redden moet,
van rampspoed of ’t storten van onschuldig bloed.


Ik denk dat ik de gedichten van Pol hou.
Al de rest: tabula rasa.


Dan langs de
groene vingers van Ronse
voorbij de Populieren
naar het Muziekbos
blijven schrijven
over wat me
niet overkomt.

‘Het verdriet staat niet alleen’. Hugo Claus. Een leven in verhalen. De Bezige Bij. Verzameld door Mark Schaevers.
‘Johan Anthierens’. ‘Niemands Meester, niemands knecht’. Autobiografische teksten. Bezorgd door Brigitte Raskin in samenwerking met Karel Anthierens. Uitgeverij Van Halewyck.
‘Lettergrepen’. Piet de Moor. Van Gennep.
'Onuitgegeven gedichten'. Pol Vancaeneghem. Uit mijn privécollectie.