10 december 2007

BLUE MOON



5.

Ik stap door de straten van de stad, hoor alle verhalen van opgekropte woede. De turnleraar is werkonbekwaam. In aanwezigheid van zijn leerlingen afgetroefd door een vader die vindt dat zijn dochter niet hoort te turnen in korte broek. Anoniem wordt me de origine van de gewelddadige vader meegegeven. Want een schrijver moet schrijven. Schrijf schrijver, schrijf.

Lezen en herlezen zal ik. De Pest van Albert Camus. De Vreemdeling. Reis naar het einde van de nacht van Louis-Ferdinand Céline. De Geruchten van Hugo Claus. Schaamte. Het Verdriet van België. De Helaasheid der Dingen van Dimitri Verhulst. En alle titels bijeen die mijn walging en vertwijfeling vertolken.

Ik stap door de straten van de stad, hoor hoe het laatste geduld onomkeerbaar om het kookpunt kantelt. Hoe, in withete bubbels van boosheid, de woede haar weg zoekt. Hoe de ontzetting zich nestelt in het hart van de mensen. Hoe de koleire om wat de ander overkomt, omslaat in diepe angst om wat morgen aan de bankcontactterminal wacht.

Ik zie ik voel ik hoor op mijn tochten door de stad hoe die woede overkookt, een kreet om zelfverdediging en vergelding wordt. Ik zie en voel en hoor hoe de eindejaarsshoppingpret donker kleurt, de dreiging van de duisternis induikt. Als een cadeau zonder geschenkverpakking.

De kerstman heeft zijn bivakmuts op. Herders is het geraden 's avonds thuis te blijven. Alle brave schaapjes binnen. Wie nog langer buiten rondhangt, wie nog kijken wil waar de sterre stille staat, doet dat voortaan op eigen risico.

De Drie Wijzen worden geacht neder te knielen en hun geschenken af te geven. Onder de koele loop van een colt. Knielen wij neder, voor de nieuwe god genaamd Mammon. De tijd van de waanzin is terug.

Een schrijver moet schrijven. Wie 'het' schrijft, wordt zelf geofferd op de slachtbank van de correcte schriftgeleerdheid.

Tombe la neige. Ik stap door de straten van mijn stad, droom van een witte kerst met sneeuw op de heuvelen. Ik zie de kinderen weer glijdend op de flanken. Ik droom van ongeschonden schoonheid.

Schrijven? Zeemzoet zal ik zijn. Naïef. Dromen zal ik.

Dream. Dream. Dream. Van liefde van vriendschap van kameraadschap van broederschap van vrede. Ik ontzeg elke laffe bivakmuts het recht om onze dromen te roven. Ons codewoord is alles wat noch gekocht noch geroofd kan worden.

Terug thuis haal ik de oude stal van stal. Ik ben een jongentje van tien nu. Ik ben Atréjoe in Het Oneindige Verhaal. Ik ben Mondo, in de mooiste story van J.M.G. Le Clézio. Ik schuif Balthazar voor de voeten van Gaspar. Ik ga aan de haal, tot ver voorbij de schapen en de kamelen en de hele caravanserail, met Melchior. Ik pluk steeltjes stro van het dakje. Dek er het kindje mee toe. Tegen de kilte van mijn stad in deze nacht zonder sterren.

Morgen ontwaak ik uit mijn nachtmerrie. Morgen is alles als voorheen. Het is niks. Een kwade droom. Meer niet. Morgen houden we met zijn allen weer van elkaar. Morgen is er weer nieuwe hoop en kan er ons niks meer gebeuren. Morgen kijken we samen naar slierten sterren. Duiken we de berg naar beneden op onze slee. Met de ogen dicht. Morgen turen we naar het vuurwerk, is het carnaval in ons heelal.

Niemand die onderwijl onze zakken leeghaalt.

‘Blue Moon’. Roman. Copyright Stef Vancaeneghem.