23 januari 2014

BUSJE KOMT ZO

ZIEKEZORGUE



De dood dwaalt door diverse suites van het Huis van Barmhartigheid. Je moet een code intikken om toegelaten te worden tot een van haar palliatieve residenties. Steeds vaker ben ik er te gast als bezoeker. Wennen aan wat vroeg of laat op me wacht. Tenzij me, zoals mijn vader, de genadige gunst van de plotselinge dood gegund wordt.

‘Je pars tranquille, garçon’.
‘Avec le chapelet de ta maman.’

Ze zegt het, als ging het om een van haar doordeweekse meldingen over door haar geplande weekendactiviteiten.

On part à Bonsecours’.
‘Avec Ziekezorgue.’


Alsof ze straks om de hoek van haar straat weer de vrijdagse bus neemt naar haar dorpje aan de Schelde, voorbij el sucrerie d'Escanafles.

Met oeverloos veel geduld heeft ze ons geluierd, gebaad, gevoed, gekleed, verzorgd, alle verhalen verteld over onze altijd al dode papa die we horen wilden en waar we maar niet genoeg van kregen.

Ze heeft ons als opgroeiend hormonaal geweld berispt, getroost. Ze voelde dingen aan waarvoor we bij haar geen woorden nodig hadden. Later zou ze ons, op Sint-Ambroos en alle verjaardagen verwennen met al het succulente uit haar geruite schriftjes. Altijd weer wist ze ons te verbazen met nieuwe vondsten uit haar kookkunst. Zij was onze Babette. Het was de tijd voor de televisie onze keuken inpalmde en authenticiteit krampachtig geïmiteerd werd, in de fake-achterkeuken van een of andere televisiestudio.

Ze heeft ons vooruit geholpen met haar verse bundeltjes gezond verstand, verpakt in waterkers, dagvers geplukt uit het slootje achter haar erfje. De piekeraars rond haar tafel heeft ze tot deemoed gedwongen met verhalen over haar jeugd au village. Hoe ze als boreling van een fille-mère in een kloef was gelegd. Hoe haar harde jeugd en haar werkzaam bestaan een puur voorrecht was. Hoe ze erdoor gesterkt was, bestand tegen miskramen en miserie.

Mij heeft ze behoed voor de verlokkingen van prille professionele beginnerssuccesjes. Altijd weer wist ze me te sterken tegen de kommer en de kwel van een hoogst onzeker en efemeer schrijvend bestaan. Ik was er altijd zo zeker van dat ze me overleven zou. Ik met mijn vele rusteloze levens. Maar ik hoefde me geen zorgen te maken. Ze zou er altijd zijn en dat was een zeer geruststellende gedachte. Zij was de minzame tussenpersoon tussen ons, de overlevenden rond haar tafel. Ze was onze band met onze dierbare doden.

Op een dag toont ze me in haar achterkeukentje achteloos een donker vlekje onder de rechterarm.

‘Daar ga je niet aan dood’, troost ik mezelf. Zelf weet ze wel beter.

Om haar rechterhand zie ik de paternoster. Hoe zwarte knobbeltjes van tussen haar vingers weg meanderen tot aan het witzilveren kruisje. Tot over het laken dat straks de lijkwade van mijn chagrijn zal zijn. Ik vraag de verpleger of de priester toch nog komt, ze is heel gelovig, haar wachten de hemelse scharen. Ze zullen het nodige doen. Het nodige.

'Dat ze in orde is met alles'.

Het visum naar het eeuwige leven dat haar nu wacht. Ik kus haar, tik dan de code in: naar de steeds drukker bevolkte binnentuin van mijn hart.