28 januari 2014

SPIEGELSCHRIFT

HET VROLIJKE
DIEPZEEDENKEN
VAN PIET DE MOOR




Peter Pan is neergestreken in Ronse. Als voorbode van een betere wereld wacht hij er tussen de boeken op het herstel van de Oude Vrijheid. Waar anders kon ik ‘Lettergrepen’ bestellen, deze nieuwe pennenparel voor kleine en grote prinsen? Auteur Piet De Moor, in één van zijn vele vorige levens ooit mijn minzame schrijfmakker bij Spectator, noemt zichzelf ‘een randmens’. Iemand die nergens thuis is en literair aan de periferie van alle genres staat.

Na ‘Grimmig heden’, zijn indrukwekkende verzameling dagboekaantekeningen, bespiegelingen en aforismen is er nu: Lettergrepen. Een al even polyfoon geheel dat hij optekende in het eerste decennium van deze eeuw toen hij op en neer reisde tussen Vlaanderen en Berlijn, waar hij zich drie jaar geleden definitief vestigde.

De Nederlandse Volkskrant resumeert het raak: Piet de Moor schittert zonder te verblinden. Nooit wordt zijn eruditie pedant. Altijd geeft hij haar snel een zeer zelf relativerende pendant. Zijn diepzeedenken wisselt hij af met de fijnste aforismen. Hierna een verfrissende duik in de koele wateren van Piet de Moors wondere Atlantis.


Als het me een hele dag meezit, roep ik ‘s avonds tegen mijn bed: Kom er maar vanonder, stuk ongeluk!

Het is een kunst om uit woorden een kern met een atmosfeer te scheppen. Vandaar dat poëzie als genre met het dichtste kerngehalte de hoogste literaire kunstvorm is en zich op termijn beter handhaaft dan de roman of om het even welk ander letterkundig genre.

'Bij Daniel Kehlmann (Het meten van de wereld) een reflectie over Karl Friedrich Gauss: ‘Waarom was hij landmeter geworden? Om niet thuis te zijn.’

'Dat principe ken ik uit eigen ervaring maar al te goed. Om die reden ben ik, onder andere, reporter geworden. En hoe verliet ik verder het huis waarin ik de echtgenoot was? Eerst was ik één seconde in gedachten afwezig. Daarna een minuut, een uur, een dag, een week…En toen volgde mijn lichaam mijn gedachten.’

Toen ik een keer in Estaminet in den Bouw verzeild geraakte, stuitte ik daar op W., bijgenaamd de dakloze omdat hij een cabriolet bestuurt.



Tegelijk werd ik overvallen door de treurige zekerheid dat de wereld waarin ik als volwassene ronddool slechts een flauw afkooksel is van het universum dat ik als kind heb gekend. Nooit meer zou ik de wereld zo scherp zien als toen. Vandaar mijn droefheid om de vaalheid van mijn bestaan, mijn in grijstinten gezette melancholie. Wat ik aan echte gevoelens heb overgehouden, is voor altijd vermengd met ironie en scepsis, de frivole wapens waarmee ik mijn onschuld heb vermoord. Zo ga ik door het leven, met een masker dat zo vast op mijn gezicht is geschroefd dat ik het niet meer kan afrukken zonder mezelf te verminken.

Als liefde bestaat, dan als triomf van de overgave.

Soms ga ik wandelen en gebeurt er niets. Dan schrijf ik op wat me niet overkomt.

Pessoa zegt dat de poëzie zich tot onze diepe ziel richt, en de roman tot onze oplettende ziel. Maar Achmatova onderscheidt in de poëzie zelf twee soorten, namelijk gedichten die de dichter bedenkt en gedichten die zichzelf verwekken. De echte dichter, die voelt hoe de gedichten zichzelf verwekken, heeft dus een geheim wapen waarover de bedenkende dichter niet beschikt.

Er is niet alleen de naïviteit van de filosofische tekst, maar ook de systematische vlucht van de filosofen uit de werkelijkheid. Peter Sloterdijk vergelijkt hun positie met die van maffiosi-dochters wier levensgeluk gebaseerd is op het feit dat zij gehuld blijven in een wolk van onwetendheid omtrent de oorsprong van de vaderlijke welstand.

Ik herinner me nog goed hoe ik als kind voor de eerste keer iemand over knikkende knieën hoorde spreken. Ik dacht dat het om welopgevoede, beleefde knieën ging.

Idee: een roman die alleen uit voetnoten bestaat. De lezer moet het bijhorende verhaal zelf verzinnnen.

Een goede reden om geen zelfmoord te plegen is de onverdraaglijke gedachte dat mensen die je niet kunt uitstaan op je begrafenis hun krokodillentranen komen storten.

De Russische revolutie werd ingeluid met het verstommen van de klokken.

Iedereen is
zijn eigen
zwarte doos.



In W. voorlezen in herberg het Posthotel. Ik breng mijn eigen lamp mee, een schemerlamp met een conisch kapje, waaronder zich een warme cirkel licht verspreidt. Ik ben met die lamp voorbeeldig over straat gelopen, de steel in mijn rechterhand geklemd, alsof ik de taille van een uit de kluiten gewassen vlinder omvatte.


In mijn flat in L. word ik overvallen door een hevig heimwee naar Berlijn, waar ik geen last heb van de kleinzieligheden die me hier verstikken. Ik moet Flauberts advies aan mejuffrouw Leroyer de Chantepie volgen: ‘Verlaat het milieu waarin u geen adem kunt krijgen. Vertrek direct, onmiddellijk, alsof uw huis in brand staat.’

Ik denk dat ik heel Berlijn moet inpakken, iets wat zelfs Christo niet heeft aangedurfd.

Het werkelijke werk is het werk dat door niemand anders gemaakt kan worden.

‘Alles moet veranderen, als we willen dat alles blijft zoals het is’. (Giuseppe Tomasi di Lampedusa in De Tijgerkat).

Verfilmingen van boeken zijn doorgaans mislukkingen. Flaubert wist al dat het uitleggen van een artistieke vorm door een andere vorm monsterlijk is.

Iedereen heeft recht op zijn eigen ongeluk, zeker als hij daar zelf voor gekozen heeft.

De geestelijke armoede van hun aanhangers is het kapitaal van de demagogen.

Een land is staatkundig goed ingericht als het de mensen voldoende ruimte biedt om hun geluk te veroveren en hun ongeluk te doorstaan.

‘Lettergrepen’. Piet de Moor.
Uitgeverij Vangennep. Amsterdam.

www.boekhandelpeterpan.be

27 januari 2014

BRIEFGEHEIMEN

WEES EEN ZUIL
VAN ZOUT KRISTIEN




Ik vergeet hem nooit. De Zomer van de Meisjes. Ik zat nog bij de krant. Dag na dag brachten reporters hun gruwelverhalen binnen omtrent kinderen in kelders. Gérard, Valeer en de andere telexjongens - toen waren die er nog - serveerden ze ook nog eens apart in afgescheurde Belga-flarden, op de algemene desk bij de liters lauwe koffie. Het ene horrorbericht na het andere. Meer en vaker dan je als papa gewoonlijk doet, belde ik in die dagen naar mijn toen zestienjarige dochter, Julie. Of ze toch al thuis was? Welke weg ze genomen had? Toch niet langs de Markt (waar ze al eens door een ouder koppel was lastig gevallen, bestaat toeval?) Toch niet langs dat park? De twee werelden waarin ik toen leefde. Op de krant aan de ene kant die meterslange gruwel. Al dat immens verdriet van de ouders. Aan de andere kant mijn eigen vaderlijke zorg om de veiligheid van het eigen nestje. Voor de mama’s en de papa’s in dit land bestaat er zoiets als voor en na de zomer van de meisjes.



Er is sindsdien veel weg van wat er voordien wel nog was. Knellende bezorgdheid is wat me overvalt wanneer ik vandaag heel jonge kinderen alleen door de straten zien lopen. Het zou niet mogen, natuurlijk. Maar zo is het sindsdien. Voor een hele generatie is dit land enkel nog veilig wanneer je 's ochtends binnen blijft en 's avonds niet buiten komt. Ooit was het anders, knikkerden, kaatsten en voetbalden we op straat. Dat onze kinderen dat vandaag niet meer kunnen, ligt niet enkel aan de verkeersdrukte en het vergaan van de sociale controle vanop omgekeerde stoelen in de citeetjes. Er is toen al teveel gebeurd wat we nooit voor mogelijk hadden gehouden. Wij waren toch scouts en gidsen geweest? Ze hadden ons toch ooit als pubers zomaar midden de Ardense duisternis gedropt, met alleen een zaklamp, een stafkaart en kompas? Die argeloosheid hebben Dutroux en co ons voorgoed afgepakt. Hij heeft ons vertrouwen in de medemens meegesleurd in zijn bestelwagen, opgesloten in zijn gruwelkelders, voor altijd als één bikkelharde angstbal in de binnentuin van ons hart gemikt.

Om het immens verdriet van de ouders, om dit alles, om die angstbal van binnen ga ik je boek niet lezen, Kristien. Ongeveer om dezelfde reden allicht waarom ik Nabokovs Lolita na diverse pogingen nooit uitgelezen krijg. Dit ofschoon ik nog niet zo lang geleden jouw dagboek heb ‘verslonden’ (De dood heeft mij een aanzoek gedaan. Over dood, leven en liefde). Mijn beslissing heeft evenwel niks maar dan ook niks te maken met de heisa en hetze rond De vrouw die de honden te eten gaf. Neen. Ik kan het gewoon niet opbrengen. Door al wat voorgaat. Door al die nare herinneringen aan de akeligste zomer die zelfs de achtentwintig moorden zonder daders van De Bende van Nijvel deden vervagen. Ik gun Dutroux en zijn entourage geen halve voelspriet van mijn ontzetting en commotie meer. Noch als mediaman om den brode. Noch als auteur vanuit mijn vezels in de marge van het literaire geneuzel. Noch als meevoelende en ontredderde papa. Noch als gretige lezer, ook van jouw proza. Neem het mij niet kwalijk. Ik respecteer daarbij volkomen jouw eigen vrije schrijfkeuze. Een schrijver kiest vrij zijn onderwerpen. Een boekhandelaar verkoopt de boeken die hij wil. Een lezer leest wat hij wil. Ik laat het nu aan mijn kinderen en hun eigen opgroeiende ukjes over om zelf weer argeloos tegen hun eigen nieuwe tijd aan te stormen, hun eigen bladzijden vol ongedwongen levensvreugde te schrijven. Loin des méchants. Ver voorbij de onnoemelijke gruwel die onze generatie voor goed de illusie van veiligheid en geborgenheid ontnam.



Wat me echter steekt, is de platte manier waarop je - in Vlaanderen toch- om dit boek nu wordt vermaledijd. Dit zowel door gerechtsverslaggevers (om de feiten) als door de literaire kritiek (omwille van de fictie en de mix ervan tot faction). Ik zal de laatste zijn om vandaag mee te huilen met diegenen die de tijd gekomen achten om je met zijn allen eens ferm te bashen. Die je vandaag hun vaak seksistische rekening presenteren om alles wat je in de literatuur betekent. Het wereldje van de zogenaamd zo vrank en vrijgevochten mandarijnen van De Republiek der Letteren dat je vandaag zo grof uitspuwt, ken ik maar al te goed. Ik ben ervaringsdeskundige van hun afrekeningen in de schemerzone tussen journalistiek en schrijverschap. Al van toen we samen debuteerden. Jij met Een Zuil van Zout, ik met Zonde van Nini. Er zaten toen dertien man in de Gentse Fnac. Twaalf voor jou. Eén voor mij. Ik kwam daarbij nog goed weg. Dacht ik toen, ten onrechte. Want die ene voor mij was de uitgever van Manteau die me prompt een contract – de vervulling van een jongensdroom - voorschotelde. Het was de tijd van voor Manteau zijn ziel verkocht aan kassa kassa detective-verhaaltjes. Pas helemaal erg werd het toen Zonde van Nini twee jaar later ook nog eens verfilmd werd door de VRT. Genoeg om prompt door het hele schrijversgild met mijn coucougnettes in de gracht naar af gemikt te worden. Een journalist die romans schrijft? Een schrijver die zijn brood verdient als journalist? No way. Dat kan alleen maakwerk en nachtwerk zijn met de zweetgeur van schrijven tussen de regels en de fles bij de hand, toch?

Weet je wat het is met dat media-literaire wereldje? Dat alles er door elkaar loopt. Een auteur, gedreven door de schrijfdrang en de vastberadenheid om zijn authenticiteit nooit te verraden, loopt gauw verloren in dat labyrinth van kliekjes en clans, schrijft zichzelf dra te pletter tegen de muur van verdoken persoonlijke afrekeningen, rancunes om wat er niks toe doet of om wat er niet is: een pril beginnerssuccesje, een graatmagere verfilming in het ene wereldje, een journalistieke promotie in het andere. En zo is het altijd carnaval, op het schrijversbal.



Wat je vandaag ervaart met De vrouw die de honden te eten gaf kan en zal je alleen sterker maken dan je al bent. De hemel en de hel weten waar je zoal doorheen bent gegaan, hoe sterk het je heeft gemaakt. Blijven schrijven dus as usual, beste Kristien. Opgemonterd weer aan de slag. Altijd voort. ‘Laissez pisser les Mérinos,’ zeggen ze hier bij ons over de taalgrens. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat je dit boek vanuit je oprechte schrijverschap hebt neergezet. Dat je, in tegenstelling tot wat ze ons vandaag willen wijsmaken, daarbij in je research wel heel diep bent gegaan. Dat je het schrijven tot in al je vezels hebt gevoeld.

Ook dàt ken ik. Toen ik voor de research van mijn roman De Nalatenschap de kampenliteratuur doornam, heb ik nachten wakker gelegen van Jerzy Kosinki’s Geverfde Vogel, Primo Levi’s Is dit een mens? en Tzvetan Todorovs Face à l’extrême. Nachtmerries had ik ervan. Ik zag keer op keer de Parijse Vel’d Hiver die ik nochtans nooit had gezien. Het was lang voor dat boek en de verfilming ervan Haar naam was Sarah. Toen daagde pas echt het gelaat van de gruwel die we als schrijvende wezens van na de oorlog nooit echt zelf kennen konden. Waarvan zij, Levi, Kosinski, Todorov en de anderen ons met hun schrijfkunst een glimp gaven.

Ik ben ervan overtuigd dat het je daarom en om niks anders te doen is. Om die glimp van datgene wat niemand voor mogelijk hield, tot voor de zomer van de meisjes. Je moet zelf schrijven om die oprechte inleving te bevatten. Hoe het je maandenlang in de kleren gaat zitten. Dat je dan nu als schrijfster gepakt en gebanvloekt wordt en verdacht van platte sensatiezucht (want dat je geen razend knappe auteur zou zijn kan ons door niemand nog worden wijsgemaakt), dàt is pas echt droefenis. Vlaanderen is dus blijkbaar niet rijp voor oprechte pure literaire faction. Het mag blijkbaar alleen komen van poen scheppende mediatieke strafpleiters en hun herschrijvers in de schaduw van het echte schrijven. Misschien kan het wereldje zich daarover eens wat gaan afvragen. Eerst verdwijnen de auteursgeschriften, dan de auteurs. Tenslotte komen de media & business planners. (Hoe krijg ik als vrouw een vallei-orgasme, in Vijftig Tinten Grijs). Ik wens je verder nog een heel vruchtbaar schrijverschap toe, beste Kristien. Wees een zuil van zout. Tegenover het geblaat van de Mérinos.

Aan Kristien Hemmerechts.