11 april 2014

DOOD VAN EEN SCOUT

DE TWEE GEZELLEN



‘Stef, met Gilbert Stockman’.
De eerste keer dat hij me belt.
De laatste keer ook, zo blijkt vandaag.
'Ken je het gedicht van De Dertien Gezellen?'
'Nee', beken ik.
'Hubert van Herreweghen'.
'Oh. En?'
'Ik ben het kwijt. Wil jij dat voor me opzoeken?'

Ballade van de dertien gezellen.

Het terras wordt al afgebroken
Elk tafeltje binnen gezet.
Een woord hangt, bedachtzaam gesproken,
In de rook van een sigaret.
We heffen het glas en wij klinken,
Zeven dertiger weer te gaar:
‘Wel het laatste glas dat wij drinken
aan een open terras dit jaar.’
En wij heffen ’t glas en de romer,
met de geuze en de porto wijn:
‘Vrienden op ’t einde van de zomer,
Want morgen zal het winter zijn.’


Het dateert van na de Tweede Wereldoorlog. Het illustreert de wanhoop van een jonge generatie die pas de wereldbrand heeft meegemaakt. Al dan niet gewezen gezellen. De sneuvelende soldaat. De krijgsgevangene. De burger die ten onder gaat aan ontbering. De oorlogsburgemeester die vermoord wordt door het verzet. De sympathisant van de Nieuwe Orde die meevecht met de vijand. De verzetsstrijder die omkomt in het concentratiekamp. Allemaal behoorden ze tot de vriendenkring van dertien gezellen. Na de oorlog komen de zeven overlevenden weer samen. Mijmerend over hun dode kameraden. Op zijn negentigste verjaardag onthulde Van Herreweghen dat hij al die gezellen persoonlijk had gekend. Geen fictie dus.



Gilbert Stockman en mijn papa zaten in ‘40 samen op de evacuatietrein naar het nog niet bezette Frankrijk. Mijn zwangere mama was er dan al vandoor naar Bretagne met de rest van de familie, nonkels en tantes van Kwaremont en Ronse. Mama zou er op 12 juli 1940 in Paimpol bevallen van mijn zus. Gilbert en mijn papa op de trein naar Frankrijk. Ter hoogte van Ieper:

‘Gilbert, smijt mijn koffer door het raam. Ik trek ervan onder. Ik ga naar Roberthe en de baby'.

Gilbert gooit de koffer door het raam. Mijn vader springt uit de trein. Iemand ziet die koffer uit de trein vliegen, kiepert hem terug. Hoe mijn vader verder per velo via Parijse familie in Paimpol is geraakt, heb ik hem nooit zelf kunnen vragen. Mijn Papa sterft - van ’t danig schrikken van mij te zien- kort na mijn geboorte. Gilbert en mijn vader: twee gezellen in de oorlog. Was dàt de boodschap die Gilbert me begin dit jaar, in het licht van de eeuwigheid die hij naderbij wist, nog overbrengen wou? Ik heb er vandaag hard het raden naar.

Bestaat toeval? Uitgerekend gisterenavond zit ik me in ‘het kelderke’ van den Tap (waar zeventig jaar eerder zoveel fout liep), op uitnodiging van mijn vriend Geert Desmijtere te verwonderen over diens regie en de redelijk indrukwekkende acteerkunsten van mijn Ronsese theatermaats (de ene speelt 'Vogel', de andere 'Georges', chef van het Ronsese verzet) die in het najaar mijn theaterstuk ‘Zonneman’ brengen zullen voor het Ronsese publiek en, wat me zeer verheugt: voor de hoogste jaren van beide Ronsese schoolnetten. Hen de Ronsese nalatenschap doorgeven. Vertellen wat er onder al die gezellen van toen zoal gebeurde in troebele tijden van oorlog. Het zwart. Het wit. Vooral: het grijs. De V van verzet versus verraad. De hele symboliek rond de waanzin van oorlog, doorheen de absurde dood van de kleine Zonneman. Dat Ronsese jongentje van negen. Geplaatst tegenover het noodlot van de losgeslagen tijd. Neergemaaid in de Abeelstraat door de laatste weg trekkende nazi-pantser.

Vanochtend krijg ik inderdaad dan de bevestiging van een vermoeden dat ik sinds gisteren al had, via de droevige Facebookpost van kleindochter Stridje Stockman. Gilbert Stockman, is niet meer. Voor veel Etikhovenaars en Ronsenaars een figuur. Voormalig textilien. Papa van ondermeer mijn generatiegenoot Jan en mijn groene compaan schepen Wouter Stockman. Gilbert: voor zovelen een mythische, minzame scoutsleider. Fier en op zijn eer te vertrouwen.



Ik doe je mijn scoutsgroet als Ridder van de Fiertel, meneer Gilbert. Doe jij mijn papa de groeten uit dit dal. Zeg hem dat ik zijn groene Pelikan voor altijd trouw blijf. Dat hij mama, sealed with a kiss, wat voorzingt over de eerste sneeuw, een parel voor haar van Lieven Tavernier. Lees jij dan zelf, voor je treingezel van toen, iets van mijn oudste broer Pol. Over snijdend gemis. Dat de tijd niet alle wonden heelt. Wat zou hij.

07 april 2014

DAGBOEK VAN DE WAANZIN OP WIELEN

FLANDERS TRAGICS
SALTO MORTALE
ZONDER VANGNET




Morgenstond. Op de ochtendtelevisie vertelt de kleine Planckaert dat de grootste misser van zijn loopbaan in Ronse ligt. Ik zie dat nog zo voor me. Als een John Massis met nog al zijn tanden kraakt hij overmoedig de concurrentie aan het Malanderpark. Heel de Kruissens schreeuwt hem naar de regenboogtrui. Drie ronden te vroeg. Een kwarteeuw later is dat woekeren met de godenkrachten in zijn lijf dus nog niet verteerd. ‘We zullen er een keer een aparte documentaire over maken’ besluit de commentator. Het Ronse-verhaal van Eddy. Mijn dag kan al niet meer stuk. Doe maar. Ronse ademt koers. Altijd elektriek. Dixit Eddy.

Zonet heb ik twee oude you tubes in mijn blogrubriek ‘Studio Ronse’ gemikt: WK’63 en WK’88. Ze dienen de wielerglorie van mijn stad in de al te selectieve herinnering te brengen van Kwaremontenaren, Oudenaardisten, Huisenaren en al wie dat, om de poen en de poeha rondom het circusgebeuren genaamd ‘Flanders Classics’ maar al te graag wil verdoezelen.

Vluchtheuvel. Verwend door de vrolijke entourage van mijn jonge Ronsenhartjes met hun eigen bevoorrading van Milka-paaseieren in een paasvakantiekorfje van eigen makelij (met dank aan hun schooljuf) kijk ik thuis naar het verloop der valpartijen. José De Cauwer probeert eventjes niét over zijn woorden te stuiteren bij zoveel ellende. Er sijpelen zeer onheilspellende geruchten door omtrent een omver gefietste dame op een vluchtheuvel. Gisteren klopte de spoed van Oudenaarde al overuren vanwege 16.000 langs fietsende nu en dan omvallende wielertoeristen.

‘Teveel vluchtheuvels? Teveel verkeersremmers? Misschien moet het peloton wat smaller', oppert de wielercommentator voorzichtig.

Ja misschien moet het allemaal wat minder. De Ronde van Vlaanderen is zichzelf kapot aan het koersen. Het wordt gevaarlijker dan rally kijken langsheen bermen en beemden. Aan de Patersberg zag ik voor de E3-koers onlangs al toestanden met Vip-Jeepers: te gek voor woorden. En wie ooit zelf de Ronde voor wielertoeristen heeft gefietst, weet wat je op de Koppenberg wacht als de wielen voor je eigen stuur plotseling stil vallen. Domino-valpartij.

Ronde door Ronse. De hoge snelheidstrein komt de Cammeland af donderen. Recht naar het rotsblok waarop ik heb post gevat voor mijn erfje. Waanzin op wielen. Vanavond zal ik een zeer schone mens genaamd Johan Van Summeren met blauw oog en diepe droefenis in het hart bezig horen over de helaasheid van de koersdingen. Oprechte bezorgdheid om de ander is het. Wat het mooi maakt: vanuit een wereld waar het ieder voor zich is.



Finale. In het Malanderpark, waar de oude en nieuwe Kruissens samen hun parel vormen met elkaar, heerst een gezellige drukte. Ignace Michaux, rijzende ster aan de Ronsese politieke kometenhemel vraagt me wat ik van het feestje vind. Teveel plastic bekers op de kiezel, plaag ik hem. ‘Ook nooit goed’, sakkert de privé-secretaris van Pieter De Crem en kandidaat nummer 11 voor het federaal parlement. De N-VA-ers van dienst geschaard rond Vlaams Parlementskandidaat Wim Vandevelde hebben wat leeuwkes meegebracht. Zwaaien zal straks aan de meet niet veel helpen. Zwitsers: altijd de linkerds. De lusten van Europa, zonder de lasten ervan. Neutraal de kat uit de boom kijken.

‘Ik ben nen donkerblauwe’, zegt me de schoenmaker onder zijn petje van Het Nieuwsblad (ietwat scheef alreeds op de kop).

‘Bon, ik ga maar‘s tot bij Marnic’, grijnst me Luc Vandenabeele. Luc is de organisator van Ronse Koerst (van de Belgische Kampioenschappen, de populaire Hootond-cross). Marnic, dat is dus de immer minzame Marnic Demeulemeester, burgemeester van Oudenaarde.

Ik hef het glas met de Ronsese Groen-schepen Wouter Stockman, kandidaat 25 op 25 mei voor ’t Vlaams Parlement.

‘Ignace had me vuilnisemmers beloofd. Zie jij hier een vuilnisemmer, Stef?’

Over naar de koers. Ieder voor zich dus. Drie Vlamingen, één Zwitser. De Vlamingen werken niet samen. De ene wil niet voor de ander rijden. De ander rijdt zich te pletter. De slimme Zwitser duwt zijn motoreske wattage op zijn grote spurtmolen, wint zijn derde ronde.



After Party. Achter het Centrum van de Ronde van Vlaanderen loop ik Dries Devenyns tegen het lijf. Ik ben een onvoorwaardelijke fan van Dries. Supportersclub Local Unique, Grote Markt in Ronse. Fan van de mens én de atleet. Het hoofd en de benen. Dries heeft alweer een machtig mooie koers gereden, toont zich al de hele tijd waar het moet. Het doet deugd ook op de televisie diep respect te horen delen voor deze clevere jongen zonder sterallures. Voor Dries’ gestaag groeiende comeback nadat hij door een bestelwagen overhoop was gereden. (Schedelbreuk, acht dagen coma, zoveel afzien).

Ik feliciteer hem met zijn schitterende Ronde.

‘De finale was onvoorstelbaar hard’, zegt hij.
‘Zwaar zwaar zwaar, man man man.’

‘Moet die jongen nu in zijn eentje naar huis met pak en zak?’, vraagt mijn gezelschap, ietwat bezorgd. ‘Ja’ zeg ik, vanwege niet gewonnen… The winner takes it all: ik toon de zwarte bus op de Markt van Oudenaarde wat verderop, waarin de winnaar Cancellara zit. Massa volk. Camera’s alom. We bestellen een mattetaartje aan Sint-Walburga tegen 2,5 euro stuk. Neptaart. Niet van Geraardsbergen, dat bestaat niet. Hoewel: je bijt als het ware je tanden stuk op een Muur middenin, daar waar de taart op haar malst hoort te zijn. Vader en zoon De Croo komen langs, her en der handjes schuddend, een goedaardige genetische afwijking.

Ronsese Facebook-maatjes foeteren ondertussen op mijn profiel over dit zogenaamd 'spuuglelijk Oudenaarde?' Wat zou het. Wel integendeel. Mijn maat Manfred van Geluwe, telg van Oudenaardse Liefmans-glorie, heeft overschot van gelijk om zich hierover lichtelijk op te winden. Ronse kan nog heel wat opsteken van deze open bloeiende Adriaen Brouwer-stad. Hoe Oudenaarde omspringt met zijn invalswegen, lang parkeren, nieuwe fietspaden, Scheldekant, Donk meer en wat al niet. (Maar plat, dat wel. Zo plat als een arrivée van de Ronde.’t Zal nooit de Kruissens zijn. Vraag dat aan Eddy en Criq).

Smurriedorp. Op naar Kwaremont. Modderbad van bier en bekertjes. Ik ben ooggetuige van de finale verloedering van een dorp.

‘Ja Stef, ‘t is hier de Fiertel van Ronse niet hé?’
‘Wanneer valt hij trouwens, de Fiertel ?’

Kluisbergens burgemeester Philippe Willequet is een fidele Fiertelganger. Kijkt wat meewarig naar de ondergang van de Kwaremontse avondrust. Schilder-burgemeester Gies Cosyns had dit nog moeten meemaken. Hij vrat terstond al zijn olieverftubes op van pure Vlaamse koleire. Kwaremont oogt op Ronde-avonden voortaan als een open lucht gekkenhuis vol Jupiler-cowboys die Fabian! schreeuwen tegen de overdadige decibels van de discobar op. One flew over Kwaremont mest. Op de terugweg naar Ronse zie ik aan de Hootond een lege circustent. De Ronde van Vlaanderen anno 2014. Waanzin op wielen. Als een salto mortale zonder vangnet.