18 april 2014

SAGANESKE

HORTENSE



De suc-cu-len-te Poulet de Bresse van Marie is ook al niet goed genoeg meer voor meneer ? Onaangeraakt belt hij het met de keukenlift weer weg van zijn bed, tot bij ons hier beneden in de kelderkeuken. Bij Marie, Angèle en ik.

Hij heeft Marie nooit gemoeten. Te recht voor de raap. Ze zegt waar het op staat. Past niet in zijn tableau van parvenu . Wat kan het hem schelen dat Marie goed is met mij en zorg draagt voor onze kinderen? Zelf zag hij zijn kinderen nauwelijks opgroeien. Vond het nooit nodig zich bezig te houden met de ‘intendance’. Een heel leven zonder nestwarmte wachtte hen.

Nog voor hun Petite Communion heeft hij de meisjes naar de Nieuwe Bosch de Gand gestuurd. En de jongens … Als hij ze al een keer zag op ‘een strontvervelende verloren Kerstavond’ maakte hij hun kop zot met zijn wijsheden. Nooit kregen ze zelf het woord. Nooit een aai over de bol. Zwijgen en Schone Manieren. Al de anderen waren miséreux, des misérables. Cela se passe de commentaire. Ingerukt.

Altijd was hij bezig met rijk worden. Ons hele huwelijksleven lang. Of wat daar vandaag van overbleef. Tussen zijn escapades in het Ritz de Paris door eventjes een ‘rejeton’ komen maken bij Moeder Hortense. Pour se faire pardonner. Dan weer op naar het Beau Rivage van Montreux.

Godvrezend is hij lang niet meer. Uitpakken met de Heilige Thomas, om zijn valse vrienden van de Katholieke Associatie mee te imponeren. Nog geen kwartje van zijn fortune kon er af voor Goede Werken van mijn vriendin Fine in de Kapel van Lorette.

Voor zijn vrijzinnige vrienden dan weer uitpakken ‘avec ses lectures’. Baron d’Holbach, Diderot. d’Alembert . Les Lumières. Voorgesneden eruditie, op maat van de toehoorder. Van Aquino en Augustinus pour les copains catholiques. En voor de logebroeders van L’Incorruptible: ‘Le Testament de Jean Meslier. Curé athée’. Doet het altijd goed.

Hij denkt dat ik die goedgelovige dwaze dorpelinge vanop de Kwaremont ben. Hij denkt dat ik niet weet waar hij mee bezig is. Maar mijn drie jongens groeien op, scharen zich achter Moeder Hortense.

Hij vergeet dat een mens niks voor zeker weet. Dat op een dag alle grandeur eindigt met plakketten die aan uw bloed plakken. Op een ziekenbed in de bibliotheek hierboven met een koud onaangeraakt kieken. Verlaten van God en klein Pierke.

Terwijl hij al zijn zaken arrangeerde, van hier tot in zijn katoenplantages van de Congo Belge trok ik, als ze dan eindelijk toch een keer thuis kwamen vanuit hun internaten en pensionnaten, met de kinderen naar het kapelleke boven de Patersberg aan Lamont. Daar baden we samen het rozenhoedje. Onderweg plukten de meisjes bosanemonen en klaprozen. We maakten er boucquets champêtres van. Voor één middag gunde de hemel mij het gevoel Moederke Hortense te zijn, de mama van een echte familie.

In het uur van zijn dood en die van de Heer sterk ik me aan mijn geloof. Mag ik ja? Mijn wijsheid is die van het hart. Als mij dat kracht geeft, wat is dan het probleem? Dat het Bijbelverhaal niet klopt? Mijn hart klopt. Volstaat voor mij. Het klopt voor de kinderen. Voor alle andere mensen die mij nodig hebben.

Soms, als ik op zomeravonden naar de sterrenhemel boven Kwaremont kijk voel ik al die dingen waar hij met al zijn zakelijk doorzicht niet bij kan. Omdat hij de nachtegaal niet meer hoort. Omdat hij de leeuwerik niet ziet. Omdat hij alleen oog heeft voor de arend die de naar veldmuisjes en andere weerloze prooien duikt.

Hij is lang vergeten wat ik hem tijdens onze vrijage heb gefluisterd toen hij nog naar me luisterde om me als ‘dartele deerne’ binnen te doen. Dat het hart dingen voelt waar geletterde raisonementen nooit tegenop kunnen. Dat dit de essentie was, die ik onze kinderen als geschenk meegeven wou.

‘L’amour en héritage’, zei ik.
‘Héritage’, antwoordde hij. ‘Grandir leur patrimoine familial.’

Ik had het toen al kunnen raden. De wereld van verschil tussen ons. Groter dan die tussen Idumea en Nabatea en die tussen het rebelse Galilea en het hogepriesterlijke Judea. De wereld van Het Gouden Kalf en die van het lijden in de Hof van Olijven. Hij wou alleen nog zijn nieuwe wereld kennen. Die van de Royale Fanfare die hij betaalt om op Sint-Cecilia serenades voor hem te komen blazen voor het balkon boven ons deur.

Vandaag, op Goede Vrijdag, bid ik dat God in al zijn goedertierenheid mijn verloren man toch meeneemt naar het paradijs. Ik heb hem gaarne gezien. Ooit. Zijn blinde wil om een heer van stand te worden heeft van hem een ander mens gemaakt dan de eenvoudige plattelandskerel met wie ik ooit trouwde. Nu alleen nog begaan om zijn praalgraf. Wat bourgmestre Delghust over hem vertellen zal in de Collégiale de Saint-Hermès. Als hij straks in zijn kist ligt.

Nooit. Ik zal Marie nooit weg sturen. Ze is als een zus voor mij. Wat moet Marie met La Pérouse kwartels? Voor haar kookschriftjes biedt Angèle van ’t Oud Konijntje nu al meer dan alle giften in die gibus op het trouwfeest van Napoléon Annicq zijn dochterlief. Angèle loopt hier nu en dan eens langs. Als ze op Willequets Hof om verse scharreleieren komt. Dan pent ze een of ander recept van Marie over. Bij het glas Bols Parfait Amour dat we met ons drieën nuttigen in de kelderkeuken. Angèle, Marie en ik.

(Ill. 'Le Petit Déjeuner'. Signac. Met dank aan Bernard Peyskens voor de hint.'Saganeske' is fictie).