28 juli 2014

DE NADAGEN VAN DEES



Waarom deed je dat? Jij de schranderste van ons allen. Altijd lengten voor. Altijd klaar met tips. Wat we, in de marge van het ons opgedrongen leerplan, beter konden lezen. Wilden we op niveau meepraten. Jij de onverbiddelijke doorvrager van de klas. Tot bij de meest autoritaire leraren. Zelfs het zwijn van Latijn slaagde er niet in je te kraken. Zijn hobby bij dwarsliggers nochtans.

Je hield je – ver van alle gezagsargumenten - op in de uitkijktoren van je onneembare burcht. Je trok de ophaalbrug omhoog tussen hun hapklare voorgekauwde kennis en je eigen wetend niet-weten.

Telkens weer zaaide je van daaruit twijfel en verwarring. Vraagtekens mikkend achter de zekerheden die ze ons dag na dag als vanzelfsprekend voorhielden. Je haalde je neus op voor hun schijnheilige dogmatische gemakzucht. Al hun mythes haalde je onderuit met die ene – bij ons gaandeweg legendarische - gefronste rechter wenkbrauw.

‘Onbevlekt Ontvangen?’
‘Maagd en moeder?’
‘Heilige Drievuldigheid?’
‘Onfeilbaarheid?’

‘Niks is hier onfeilbaar’.

Op onze reunie vijfentwintig jaar later zat je naast me. Je had oosterse filosofie gedaan, want westerse. Allemaal pogingen tot verdoving van de onrust in het hart. Met de pijn van het zijn bleef je zitten. Wat moest je met de vraag waarom er niet veeleer niets is dan iets, als je nog niet eens wist hoe je de dag doorkomen zou? Hebzucht en verlangen trotseerden vijfentwintig eeuwen westers zoeken naar zingeving. Wie erin slaagde die uit te schakelen : dié zou pas gelukzalig zijn.

Vagelijk gaf je me flarden mee omtrent je bestaan na de ultieme klasfoto. Heb ik toen - in wat achteraf ons laatste gesprek zou blijken te zijn - signalen gemist? Er is me die avond, toen je al weer weg was, gefluisterd dat je in moeilijkheden zat. Dat je in de gaten werd gehouden. Dat het nog wel eens slecht aflopen zou met jou. Dat het alleen nog een kwestie van tijd was.

Nee het is helemaal niet afgelopen met jou integendeel. Wat zou het. Als jouw dood er nu is, dan leef jij misschien niet langer maar ik eventjes nog wel. Je leeft door in onze herinnering goede brother in arms. Jouw verhaal wordt het onze. Ik deel het hier, zoals ze tegenwoordig op Facebook melden. (Heb jij niet meer meegemaakt. Je zou nogal wat doorvragen op hun sociale media).

Het is het verhaal van geworpenheid in een wereld die sneller veranderde dan jouw en mijn schaduw volgen konden. Ik zal het hier voor jou traceren, dat verhaal.

Hoe kon iemand tegelijk zo sterk en zo broos zijn, vraag ik me vaak af. Als ik weer eens aan jou denk, bij het lezen van een of ander hersenspinsel vervat in een of ander paradigma. Je ziet, ik blijf op mijn hoede voor de valstrikken van perceptie.

Jouw broosheid kende ik al langer. Er was geen berenklauw tegen gewassen. Dat je vader ‘maar een simpel keuterboerke’ was.

‘Twee hectare wat moet hij daarmee?’

Dat die van de stad mooi praten hadden. Of wij, stadsmussen, al eens putje winter in het donker de hardste bobbels van de Vlaamse Ardennen hadden op gefietst? Over de bevroren kasseien om die stomme schoolbel te halen? Of we in examentijd al een keer vijfentwintig stellingen meetkunde hadden aangepakt? Na het melken der koeien? Na al het andere werk op dat lapje land?

Jouw kwetsbaarheid was ons bekend. Je oversteeg ze met de klasse van je kennis, je loepzuiver doorzicht waarmee je ons allen overtrof. Je was zoveel sterker dan alle mussen bijeen. Waarom deed je dat dan? Waarom heb je de burcht opgegeven? De signalen die ik toen miste, die wil ik opsporen.

Doorheen het gedonder van die aanstormende trein.

‘De Nadagen van Dees.’ Dit verhaal is fictie.