18 december 2014

LEVENSLANG



Hun leven zal, na de revolver tegen de slaap, nooit nog hetzelfde zijn. Knagende vrees zal hun deel zijn bij elke klant die de winkel komt binnenstappen. Ze zijn handelaar in de binnenstad of aan de rand. Ze zijn eigenaar of gerant.

Hoe hen toegeschreeuwd wordt of ze de kogel in de lader zien? Klaar om door hun hoofd te gaan. Hoe het geld dat ze klant na klant verdienen hen - in enkele seconden – wordt afgepakt. Het geld van de zaak die ze met vallen en opstaan opbouwen in harde tijden.

Telkens weer zullen ze in de diepte van hun slapeloze nacht de film herzien. De plastic handboeien die al klaar liggen voor de homejacking, na de winkelroof. De anesthesist die hen in slaap prikt. De hele film . Eerst in vage flarden, dan in vlijmscherpe variaties van overrompelend geweld. Ze zullen zichzelf horen schreeuwen tegen snaken uit Molenbeek of elders, horen vragen waarom.

‘C’est la crise con!
Sors ton pognon ou..!’


Jonge kereltjes nog, met bivakmuts op, in dure sportkledij.
En toch al een strafblad dat magistraten tot wanhoop drijft.

De collaterale psychologische schade zal het leven van de slachtoffers van brutale overvallen opdelen in ervoor en erna. Een andere kijk op De Ander zal hun deel zijn. Hen zal je niks meer moeten komen vertellen over softies en samenlevingsopbouw.

Dag en nacht zal verbittering hun aanvankelijk vertrouwen in de medemens komen weg knagen. Het geloof in goedheid dat hen was ingelepeld in een betere opvoeding uit de tijd dat een gewapende overval iets was dat alleen gebeurde in films van Alain Delon en Jean-Paul Belmondo, met Borsalino op de kop en Davidoff in de mond.

Soms ben ik als buur getuige van de ravage in hun huis na de inbraak. Van hun verwarring. Hun voorgoed kapot geschoten geborgenheid.
Ik hoor hun verhalen als een verre echo van wat zij écht – alleen op de boze wereld - hebben meegemaakt. Wat ik zie en hoor als schrijvend mens vertelt me niet alles. Hun doodsangsten midden in de nacht. Wat ze aan niemand meer kwijt kunnen en me denken doet aan wat ik lees bij JD Salinger of Kurt Vonnegut over diepe trauma’s die nooit echt meer (mee)gedeeld kunnen worden, stuiten op verveeld schouderophalen met, bij wijze van haastige afsluiter dooddoeners als : ‘Tja, het is van alle tijden en het gebeurt overal’.

De steeds meer succesvol ingezette middelen van de lokale en federale politie. De anonieme dapperheid van de slachtoffers, toevallige passanten of getuigen. De alerte efficiëntie van de Buurt Informatie Netwerken. De snelle rondmeldingen via sociale media. Het is de ketting van deze maatschappij die zichzelf met alle wettelijke middelen verweert.

De magere troost van het slachtoffer - bij elke dader die geklist wordt - verbergt echter een nog veel grotere verbittering bij elke schurk die door proceduretrucs ’s anderendaags zijn zorgeloos schurkenbestaan alweer opneemt.

Maar de zorgeloosheid van de slachtoffers: die is voor goed weg. Voor hen gelden géén proceduretrucs. Zij krijgen levenslang zonder pardon.

15 december 2014

DE NADAGEN VAN DEES



Exact twee dagen kregen we. Om te mediteren over de zin van het zijn. Daarna werden we terug verwacht. Voor een begeleid gewetensonderzoek. Geen enkele kwelling in de kwetsbare jaren van onze nu toch wel ‘post-puberale adolescentie’ zou hij daarbij uit de weg gaan. Bij wijze van rustbrengende afsluiter zou hij alle knagende gewetensvragen met ons bespreken. In de zaligmakende genade van onze Heiland en Verlosser.

Ter voorbereiding las ik in de mij toegewezen kloosterchambrette ‘Zware jongens en lichte meisjes’. De zin van het leven was een stoer bestaan. De dagen dartel door dansend, in een feest zonder einde. En daarover dan schrijven. Maar dan wel anders dan Louis De Lentdecker in diens populaire Vlaamse Pocket.

‘Wel, Désiré?’ Ik hoor alleen oorverdovende stilte. Uw grote levensvragen?’

Nog even en deze retraite zat er op. Kon ik me voluit concentreren op onze baskettopper tegen Baasrode zondag. Harde ploeg die Waaslanders . Maar wel fair play.

‘Onbevlekt Ontvangen.’

Wat On-be-vlekt Ont-van-gen?’, vroeg de redder van onze zielen.

‘Wat is er mis mee ?’

‘Vind ik ietwat bevlekt als mysterie. En nogal onontvankelijk bovendien.’

Ik zei het om iets te zeggen en de loodzware stilte te verbreken.

‘Meneer Hofstadt’, kreunde hij, ongemakkelijk krabbend aan de parelende hals onder de kraag van zijn pij, ‘dat is hier dus helemaal geen kwestie van begrijpen maar van geloven in het wonder’. Ik was al blij dat hij zijn lager gelegen lichaamsdelen liet uitzweten.



Wie dat niet deed, wie de mysteriën niet tot de zijne nam, wie weigerde om zoals Blaise Pascal of Sören Kierkegaard de grote geloofssprong te wagen, wie zich niet met de eenvoud van het kinderhart open stelde voor de wonderlaarlijke wereld van de Heilige Schrift, die liep vroeg of laat met zijn koppige kop tegen de muur. Die zou verzinken in verlorenheid, eindigen in de Danteske duisternis van de verdoemden en… ’

Hij emmerde nog een tijdlang door. Ik liet hem melken uit zijn dogmatisch arsenaal. Toen hij op adem kwam, nog wat hardnekkiger aan de nu bloedrode nek ging zitten krabben, vroeg ik hem naar het lot dat Onze Moeder de Heilige Kerk eigenlijk bewaarde voor ongedoopte engeltjes en wiegedoodbloedjes.

Hij brieste iets terug omtrent de Apocalyps, citeerde Prediker die ik kende van de Byrdshit 'Turn Turn Turn' en zei dat ik beschikken kon. De rest bewaarde hij voor de algemene slotbiecht. Als ik tegen dan geen ootmoedig berouw toonde zou mijn penitentie er niet naast zijn.

Als provinciale ploeg was Baasrode minder grof dan Gasbol Gent. Bij elk duel persten de Gentenaars al het snot uit hun neus, zo dat je bij het mikken voor het net geen steek voor je ogen zag.

‘Dat je op het lichaam van Christus bijt als je de hostie tussen de tanden neemt , vind ik als plot meer iets voor Nero bij de kannibalen’, ging ik nog even door. Meer om te zien hoe ver ik hem drijven kon in de hoop dat hij me vervroegd naar huis sturen zou. Kwam ik lekker weg uit zijn donkere biechtstoel. Ver van al zijn geile gevraag naar hoe vaak je de zonde des vlezes bedreven had. (‘Alleen? In gezelschap? Hoe groot dat gezelschap?’)

Hij zei dat ik in mijn grenzeloze hoogmoed geen en-kel maar dan ook geen en-kel rrres-pect !!!! toonde voor de symboliek van de Heilige Schrift. Dat ik naar mijn kamer kon.

Mijn rechter enkel baarde mij zorgen voor zondag. Tijdens de match tegen de Wezenvrienden van Geraardsbergen was de hinder begonnen, na een gemene en ongemeen bitsige botsing onder de ring.

‘Verloren voor de mensheid ben je! Nu al! ‘
‘Het leven is nochtans een geschenk!’.
‘Wat ga jij dan terugdoen om Hem voor dat godsgeschenk te danken?’
‘Denk daar maar eens goed over na, Hofstadt!’



Vuil ploegske, Wezenvrienden. Smeriger nog dan die van Eine. En dat sloeg alles want Eine: erger nog dan die van Vlierzele. Rochelden je Converses compleet onder hun ballen slijm, bij elke fast-break die je met je maats durfde ondernemen. Voor onze Number Nine Karsten Fosfedt die bij ons was komen overwaaien met het American Field Service-uitwisselingsprogramma en die altijd blootsvoets speelde: totally not done.

‘De zin van het leven is je zinnen volgen’, zei ik bij het verlaten van zijn donkere bezinningsruimte.

‘En wat mij betreft ook volzinnen bijeen pennen. Zoals de Heilige Augustinus deed in zijn Belijdenissen nadat hij wel eerst zijn geliefde in de steek had gelaten met hun kindje om een keer stevig van bil te gaan in Milaan’.

Ik vloog er uit. Nu mét zwaar berispend briefje, af te geven aan de klastitularis .

Wie dacht ik wel dat ik was? Dat ik zomaar schaamteloos onze Heilige kerkvader, de auteur van de Civitas Dei durfde te schofferen? Begenadigd schrijver bovendien van het ultieme meesterwerk uit de westerse belijdenissenliteratuur. Zielsverheffende ontboezemingen, waarbij de schrijfsels van die pas écht onwaardige vader van een Jean-Jacques Rousseau met zijn nest gedumpte kindjes verbleekten als platte egopraatjes.

‘My name is Désiré’, zei ik.
‘A streetcat named Désiré’.



Of ik als nakomer uit een kroostrijk gezin echt wel nog gewenst werd in dit tranendal , was pas echt de levensvraag waarmee ik zat. Al was dat het laatste wat ik aan zijn neus hangen wou.

Wat maakte het voor de rest dan nog uit of de Heilige Drievuldigheid weinig meer was geweest dan een handige truc om, vanuit het antieke veelgodendom, de switch te maken naar die ene Almachtige Vader? Wat maakte het uit of Jezus de zoon was van een duif of verwekt door een djinn uit de waterkruik van Jozef? Meteen na mijn geboorte was mijn eigen verwekker doodgevallen. Bij het zien van mezelf, let there be no doubt about.

Zat ik echt wel mee, bij wijze van grote levensvraag omtrent de zinnen van mijn zijn. Daarmee en met de moeilijke verplaatsing naar Baasrode.

Uit: ‘De Nadagen van Dees’.