12 oktober 2016

FRENCH COLLECTION

POIL DE CAROTTE



‘Poil de Carotte’ zegt Nono. In de Peugeot 203 - toit ouvrant sur grisaille - lachen de andere passagiers gretig met mijn wezen.

Coiffeur Arnold van achter de paterskerk heeft mij op de buitenwereld losgelaten in een kapsel dat hij voor drie stukken van vijf verkoopt als ‘à la brosse’. Met een Friction Vidal Sassoon er bovenop . Ik ruik naar de loog in de emmer op onze binnenkoer aan de Steenbrugge. We rijden langs de Moulin Rouge, zakken langs Pigalle af naar de Trinité .

Aan het stuur zit Georges, verwekker van Nono die de boches heeft verjaagd van in het Bois de Boulogne tot aan de Porte de Bagnolet. Die daar behalve zijn sigarendoos vol erelintjes een netwerk nuttige namen aan overhoudt: tot achter de gecapitonneerde deuren van de verste Préfecture. Later zal ik Georges in dromen terugzien als de Jean-Pierre Marielle van Les galets de Pontaven, in zijn blote dansend met een pronte Paimpolaise.

De schaterende anderen in de Peugeot 203. Claire zijn épouse , die alles - chignon et vison - mee heeft van wat ik me omtrent Le Grand Chic Parisien voorstel wanneer ik op baaldagen in de veranda met mama naar Michèle Morgan lonk in Jours de France, het luxeblad van Mirage-constructeur Marcel Dassault.

Jules Renard is voor Nono dan al schoollectuur. Poil de Carotte. Zelf ben ik dan nog aan Marie Chapdelaine toe, om doeltreffend in te dommelen op onrustige avonden.

Nono vertelt me alles wat ik niet horen wil over het wonder van de bevruchting. Hoe het foetusje als een hippocampeke uit het aquarium van Boulogne-sur-Mer in de buik van uw mama zwemt. Hoe mil-jar-den spermatozoidekes daartoe eerst wel hun eigen guerre mondiale hebben uitgevochten. Ik luister maar half. Teveel te zien door de ovale raampjes .

Hoe Georges de clignotants heen en weer laat uitklappen. Als twee soldaten van Général Leclercq na elke bocht weer netjes in hun schuilplaatsje duikend langs de flanken.

‘OAS Vaincra’ staat er op gevels aan de Rue de Clichy.

‘Organisation Armée Secrète’ zegt Nono. Op een fluistertoontje alsof hij er zelf deel van uitmaakt, dingen geheim hoort te houden op straffe van executie.

Nu en dan plastikeert OAS een flat tegen de onafhankelijkheid van L’Algérie Française. Gevolgd door represailles van het Algerijns Bevrijdings Front FLN. Dit gaat regelrecht naar l’ Etat d’Urgence.

Georges begint over La Légion Etrangère. Met hen zou het hier rap, zou het hier nogal. Zijn eigen imposant flatgebouw met Bar Tabac beneden is niet eens meer veilig. Hebben we daarvoor dit land bevrijd?

Net voor de zomer ben ik uit mijn wonderjaren geschud door de thuis op de voet gevolgde bevrijdingsactie door parlementair Jan Verroken van een doodzieke Vlaamse jongen genaamd Michel. Uit wanhoop getekend voor het Vreemdelingenlegioen en al weg naar Toulon, een tumor in de hersenen. Op de valreep door Jan Verroken van het schip naar Corsica gehaald.

Ik zie Michel later bij ons thuis op bezoek met zijn redder. Op het hoofd een béret om de gevolgen van chemo te camoufleren. Hersenvliesontsteking kan je redden met puncties. Weet ik van pijnlijke rugpuncties bij een van mijn broers. Eén Schreeuw nagalmend in het grote huis. Dan als beloning beterschap en volledig herstel, dag na dag. Maar deze jongen met mutsje. Gered van de oorlog . Geveld door brute pech in het lijf.

In de Mogador dommel ik in naast mama bij een eindeloos boulevardstuk met Pierre Doris in operettetenue. Op de terugweg naar de Rue de La Légion d’Honneur fluistert Nono dat we meer, veel meer hadden moeten aandringen.

‘Rien que des femmes à poil ça te dirais Poil de Carotte!’

Een wit zieltje ben ik. Zo blank als de witte strepen in de Rue Blanche na de doortocht van de krijtwagens die naar de Seine geduwd werden, door Les Misérables. We zien straathoertjes, pooiers, clochards, gelukszoekers.

Mais il est où le bonheur Nono, il est où?

Ik luister half naar de conversatie van de groten in de Peugeot. Pieds Noirs die massaal aanmeren in Marseille. Hele pakketboten vol. Want dit is La Patrie des Lumières et de La Liberté!

Georges, ik voel het aan mijn stille waters, heeft in juli 1940 het leven van mijn papa gered. Zeker weten. Met zijn netwerk zorgde hij voor diens vlucht naar Frankrijk. Dit nadat papa in Ieper van de trein besloot te springen om in Paimpol te geraken. Bij mama. Op hem wachtend. Een dartel zeepaardje in de buik.

Foto: Yannic Vancaeneghem