16 december 2016

BRIEFGEHEIMEN

ERIC DEVOS
BEZETEN
VAN HERMES




Er zijn van die gezegende dagen waarop een geschiedkundig vorser een zeldzame parel uit de donkerste tijd diept, de hemel dankt om zoveel zeldzaam geluk.

Op een quatertemperdag, nu zeven jaar geleden, kom je aldus als historicus zeg maar eruditicus (zoek het woord niet op ik bedenk het hier speciaal voor jou) een spectaculair 15de-eeuws getijdenboek op het spoor dat ooit is gebezigd door het Kapittel van Hermes in Ronse. Het boek zit tegenwoordig veilig achter slot in The British Library of London.

De kersverse Ronsese professor Anne-Françoise Morel van de KU Leuven-afdeling Gent zorgt er prompt voor – niet in het minst vanuit haar grote betrokkenheid bij het Fiertelgebeuren - dat je met de juiste aanbevelingen toegang krijgt tot wat voor gedreven zoekers van je slag het nec plus ultra is. Vermits een groot geluk nooit alleen komt, blijkt er ook nog een tweede getijdenboek bewaard te worden waarvan het belang voor de beeldvorming van Hermes niet kan worden overschat. Meer heb je als gepassioneerd zoeker niet nodig om je te storten op die vroegste iconografie van Hermes.

Wat vertelt hij ons via vaak cryptische details van de evoluerende beeldvorming over zijn verleden? Stap na stap reconstrueer je vanaf de oudste beelden de Romeinse stadsprefect, vandaag zo majestueus te bewonderen op zijn paard daar in de hoge nis van Sint-Hermes-collegiaal.

Je gaat daarbij as usual geen enkele hindernis uit de weg. Als de Sherlock van Ronse snuffel je zowel in het Stadtarchiv Aachen als in het stadsarchief van Kleve, Ronsese carnavalisten welbekend.



Voor wie wil meepraten (laat staan publiceren) over Hermes ben je een absolute incontournable. De vroege stadsontwikkeling in en om de Oude Vrijheid, het stadswapen van Ronse, de link naar krankzinnigheid: niks ontsnapte de afgelopen decennia aan je Sisyfusarbeid.

Aldus heb je gaandeweg een papieren monument van in totaal 800 pagina’s bijeen gespeurd en geschreven. Keurig afgescheiden in diverse zeer verzorgde publicaties. Als historisch vorser pur sang ga je daarbij telkens zeer behoedzaam en uiterst gedetailleerd tewerk. Telkens weer opnieuw slaag je erin vanuit nauwgezet bijeengesprokkeld bronnenmateriaal feiten gaandeweg te linken tot een dieper inzicht en betekenisgeving.

Na een tiental van dergelijke studies die met veel zorg dank zij gulle schenkers en steun van de Stedelijke Cultuurraad zijn gepubliceerd door de Geschied-en Oudheidkundige Kring Ronse acht je de tijd gekomen ‘om een punt te zetten achter deze cyclus uit schrik in herhaling te vervallen’.

Herhaling, wat zou je?
Stoppen, waarom zou je?

Morgen vind je in een of ander scriptorium alweer een ander zeldzaam perkament en boek je prompt een vlucht naar pakweg Oregon. Bij Kaitlin Manning, Cataloguer & Manuscript Specialist bij de J.Pirages Fine Books & Medieval Manuscripts. Voor het bestuderen van een ogenschijnlijk onooglijk detail dat je echter niet ontgaat, het paard van Hermes op hol doet slaan, jezelf uit de bol doet gaan van vorsersvreugde.

Je doet me bij dit alles denken – zij het stukken bezadigder doch daarom niet minder verbeten- aan het rusteloze zoeken en wroeten van mijn gewezen estheticaleraar in de retorica van het Sint-Antoniuscollege, je voorganger wijlen ere-conservator Albert Cambier.

Blijven publiceren is dus een pure noodzaak, stoppen totaal geen optie, beste Eric Devos. Jouw verzameld werk is onze heirbaan van Rome tot Ronse en omgekeerd. Onze snelweg naar erkenning van de Hermesommegang als Unesco Werelderfgoed. Komaan: monter weer aan de slag met je loep.

Aan Eric Devos. Stadsconservator.
‘De Sancto Hermete martyre’. ‘De iconografie van Sint-Hermes tot ca. 1500’. (Aquarel Anne Meerschaert
)

13 december 2016

SCHRIJFGENOT



James Salter, een voormalig legerpiloot, later auteur van Dwars door de dagen en Lichtjaren overleed op 20 juni 2015 op negentigjarige leeftijd. Twee jaar eerder en 34 jaar na zijn vorige roman was zijn laatste roman gepubliceerd: Alles wat is.

In De kunst van fictie schenkt hij ons een fascinerende inkijk in zijn schrijversleven. Openhartig heeft hij het er over de afwijzingsbrieven die hij van uitgevers ontving, over de voordelen van ‘s morgens dan wel ‘s nachts schrijven, over geldzorgen die de kop opsteken tijdens lange middagen.

Een vraag die Salter daarbij opwerpt is waarom iemand eigenlijk de pen ter hand neemt. Streeft een schrijver naar rijkdom? Naar bewondering? Komt het schrijven voort uit geldingsdrang?

James Salter: ‘Waarom eigenlijk? Tja voor het genoegen. Al is het duidelijk dat het niet zo’n groot genoegen is. Om bij anderen in de smaak te vallen dan? Soms ging dat door mijn hoofd bij het schrijven, als ik dacht aan bepaalde mensen, maar het zou juister zijn om te zeggen dat ik schreef om door anderen te worden bewonderd, om door hen te worden liefgehad, te worden geprezen, om bekend te worden. Uiteindelijk is dat de enige reden. Het resultaat heeft daar maar weinig mee te maken’.

‘In het begin kan je overal schrijven, maar je hebt real time nodig om te schrijven, je moet schrijven in plaats van leven. Je krijgt maar een klein beetje terug, maar het is iets. Er zijn geen vaststaande waarden: je geeft een heleboel voor niets; je doet het voor haast niets, zoals Justine in het begin de liefde bedreef voor een katoenen hemd'.

Het antwoord dat Salter zelf geeft, is simpel: een wereld waarin niks wordt opgeschreven, zal verdwijnen.



Zelf begon ik rond mijn zeventiende te schrijven op de ouwe Remington van mijn grootvader. Van je pen leven in Vlaanderen was - dan al - geen optie. Tenzij je voor de kost ging schrijven, als pennenlikker zoals journalisten toen nog genoemd werden.

Veertig jaar lang schreef ik me te pletter voor weekbladen, magazines, kranten, blaadjes, verschijnselen allerhande. Op mijn zevenendertigste, rond de leeftijd waarop mijn verwekker de weg van alle vlees was gegaan publiceerde ik voor het eerst een roman. Van dan af combineerde ik het schrijven als journalist en voor de kost met schrijven voor mezelf, puur voor het genoegen. Romans, een filmscenario, theater, liedjesteksten, columns voor de radio.

Niet doen, zo'n dubbele piste volgen. Of je schrijft geduldig nachten door aan wat ze in het literaire wereldje of wat er graag zelf voor door gaat in Vlaanderen een imposant oeuvre noemen (doorgaans in barre armoe en met veel ondersteunende klussen ernaast) met minimaal vijftig titels op je naam waarvan er als het echt meezit twee in de rekken stand houden, of je werkt je te pletter voor de kost en je gezin voor twintig steeds wisselende hoofdredacteuren in steeds wisselende persgroepen met steeds wisselende concepten tot ze opgedoekt worden en je komt ondertussen tijdens je vrije tijd gewoon tot rust. Het tweespoor is te zwaar...voor woorden. Maar de spijt is voor een ander, toch zeker als het schrijven je echt in het bloed zit. Ik ken mensen met veel zwaardere taken dan tikken. Vandaag zit ik op tram zes en schrijf ik onverminderd voort en met ongerept genoegen.

Nog steeds lig ik halve nachten wakker van een nog te schrijven verhaal, een - hopelijk potig - stuk over het stadje dat me zo dierbaar is en dan liefst met een stevige titel. Nog steeds loop ik ’s nachts vanuit de slaapkamer naar mijn schrijfstekje hier onder de balken voor het neerschrijven van een of andere nachtelijke bevlieging. Bij het ochtendgloren kan ik dan de ene helft schrappen, de andere helft herschrijven. De meest betrouwbare schrijfgedachten komen bij het joggen, al moet ik er dan wel eerst een uur voor afzien gelijk de beesten.

Mijn schrijfgenot is nog altijd dat van een zeventienjarige. Vol gretigheid blijf ik op zoek naar het verhaal dat ik schrijven wil zoals ik het aan mijn moeder had verteld. Met onderweg naar die finale digitale toets veel schrappen herschrijven en puzzelen met research hopend op de woordspeling om de hoek. Gaandeweg ontdek ik daarbij tijdens het lezen steeds vaker ook het gedeelde schrijfgenoegen van een ander, diens ploegen en zwoegen. Schrijven is voor mij alles wat is.

Schrijfgenot. Blogboek over alles wat is.
('De Kleine Prins'. Michel Provost).