31 januari 2018

GOUDEN BRUILOFT (2)



Richard Molendam

Breng me nu maar naar de plek van waaruit ik voor eeuwig een machtig mooi uitzicht heb op het dal. Voer mijn urne traag in zilvergrijze limo naar de dodenheuvel waar de jonge stadswerkman me uitstrooien zal. Zoals hij het dag na dag doet met de waardigheid die van hem wordt verwacht. De argeloosheid van zijn jeugd staat nog te ver af van andermans dood om in de afscheidsrituelen meer te zien dan een broodwinning. Een levenslang vast inkomen om zijn schakelwoning in De Stadstuin af te betalen. Met tussendoor nu en dan een reisje naar de zon.

Zoals het bezwete meisje in haar stomende goudgele tent op de zomerkermis bloemsuiker strooit op de oliebollen, zo zal hij mijn as uit zijn koperen tuigje persen. Een duizendmaal herhaalde mix van vervangende mystiek en vergane dodensymboliek. Meer dan professioneel geregisseerde inleving zit er voor hem niet in. Empathie heeft haar grenzen.

Laag danst mijn as nog twee tellen in het rond dertig centimeter boven de grond. Straks blaast de wind mij nog een keer terug in de ogen van de gieren van erfgenamen voor wie de snelceremonie al te lang duurt. Zie ze haastig met gemaakt verdriet hun roos naar mij smijten.

‘Wie gaat dat hier betalen?’
‘Was een krans niet genoeg?’
‘Wanneer zijn we geconvoceerd bij de notaris?’
‘Heeft iemand al nieuws?’
‘Wat zegt ge dat het nog lang kan duren?’
‘We zijn met twaalf verspreid over de landkaart’.
‘Die kunnen nu toch snel opgespoord worden met Google Map?’
‘Eindelijk gaan we haar rekenschap kunnen vragen’.
‘We doen haar een proces aan’
‘We claimen alles van haar terug’.
‘Ik ken een goeie zakenadvocaat’.

In korte, sierlijke bochten mikt de strooier mijn resten op het gras. Als tekent hij voor de laatste keer mijn initialen op deze planeet. Eerst voelt hij met de natte vinger van waar de wind komt. Vakmanschap is meesterschap. Laat het nu maar sneeuwen op het fijn stof dat overblijft van Richard Molendam. Echtgenoot van wijlen Mathilde Malander. De laatste sneeuw.

Dat je op het eind van je leven alles als in een Cinemascope terugziet, is dikke zever. Geldt alvast niet voor mijn zelfgekozen afscheid van het leven. Alles is volbracht. Nu ik de notaris exact gedicteerd heb wat ik wens. Molendam wikt, Molendam beschikt. Zo is het altijd geweest. Zo blijft het in het uur van mijn dood. En zelfs daarna. Zoals ze nu gauw genoeg gaan merken de gieren.

Als Elodie straks komt om mij zonder genegenheid te wassen zal ze een lijk vinden. Ik zal er niet langer moeten op toezien hoe ze eerst brutaal de overgordijnen wegrukt, dan in een zoveelste zucht de rolluiken optrekt.

De vernedering van mijn aftakeling kan toch nooit groter worden. Dood vergeet mijn tanden niet, op het tafeltje. Mijn ringen ben ik al kwijt. Ze heeft ze mee gegraaid en doorverkocht aan de Goudcentrale. Ik heb gelezen dat ze die in de kampen van de nazi’s ook vooraf weg namen. De gouden tanden ook. Eerst al het goud eraf en eruit. Dan zonder kleren met een ster erop onder het gas en in het vuur.

Welke nevenwerking die pillen hebben als ik ze allemaal tegelijk neem, weet ik niet. Eén na één heb ik ze uit de doosjes gepikt, onttrokken aan het alziend oog van Elodie. Pil na pil dichter bij de bevrijding uit alle lijden.

Bang ben ik niet. Ook jij bent alleen op mijn fortuin uit, Elodie. Het geld dat ik je geef, het geld dat je hier dag aan dag van me mee graait. Maar toch hou ik mijn gegeven woord. Ze gaan opkijken, de aasgieren.

Ik, Molendam Richard, de vermaledijde, zal hier nog een laatste keer postuum bewijzen dat mijn wet de wet is. Ik zal hen tonen hoe ik in mijn eentje sterker ben dan hun hele kliek bijeen. Grootser in de haat. Fideler in de passie. Bevrijd van alle kommer sterf ik als de winner die ik altijd was. Sterker dan de rest. The winner takes it all.

Ik weet niet of ik je nu terugzie, Mathilde. Ik denk het niet. Er was heel veel geld tussen ons. Geld dreef ons uiteen. Maar achter het fortuin dat ik van je nam, stak mijn grootser plan. Voor jou en voor mij. Iets moois met kinderen en geluk. Adieu Mathilde. Ik weet niet of god zich nog om zijn schepping bekommert. Misschien kan het hem gewoon geen zak schelen. Dobbelt hij er maar wat op los, om de verveling te verjagen.

En jij, Nena, mijn alles. Waarom liep het zo? Waarom kwam je helemaal uit je thuisland vluchten tot diep in mijn leven. Eerst om me te troosten, dan om me te vervloeken en te verdoemen. Waarom zadel je me in mijn laatste levensuur op met niks dan schaamte?

Gouden Bruiloft.
(2) 2018.Copyright Stef Vancaeneghem.