02 februari 2018

GOUDEN BRUILOFT (4)



Visgraatparket

‘Dans ce cas nous aviserons. Maar zijde gij wel zekers van uw cijfers, meneer Oscar?’

Aimé deed gemaakt verwonderd. Een manier om zijn verveling te verdrijven tegenover de koele cijfertaal. De winstmarges en verliescijfers van zijn boekhouder lieten hem koud. Hooguit had hij van zijn vader, Modest Malander onthouden dat je wevers pas afdreigt met collectief ontslag als de staking wat te lang duurt.

De chef-comptable onderdrukte zijn misprijzen over de desinteresse voor zijn vakkennis, verwerkte de gefnuikte beroepseer met een veelzeggend schouderophalen en overliep nog een laatste keer alle eindcijfers onderaan zijn kolommen.

'Rood. Rood. Rood en dus geen brood'.

Droog als een leraar wiskunde op maandagochtend. Hier en daar met de wijsvinger op een ‘dramatisch’ fout cijfer. Zonder zichtbare emotie.

‘Cijfers liegen niet'.

Veertig jaar al werkte meneer Oscar voor Malander. Samen met pater familias Modest had hij dit bedrijf zien groeien en bloeien. Agenturen in Argentinië en Chili, aandelen in spinnerijen en draadververijen. Grote plannen. Van 5 werknemers naar 25, van 25 naar 250. Welgeteld 40 vieringen van Sint-Ambroos. Wiens feestdag gevierd wordt op de 7 de dag van de 12de maand. In de 49ste week. Als de zon opgaat om 8.30u. Achter de Kruisberg duikt om 16.38u. Na een zonneschijn van amper 1 uur en 35 minuten. Cijfers liegen niet.

In de voor de gelegenheid opgesmukte refter naast het magazijn van Serafijn had hij die 40 feesten van Sint-Ambroos gaandeweg zien verschrompelen tot een sobere korte decoratie-ceremonie voor de oudgedienden. Hij kende lief en leed van wevers en spinsters. Wist wie in De Oude Dragonder bleef hangen. Wie daarna zijn vrouw afranselde met de matrassenklopper. Wie echt geholpen moest worden.

Twee decoraties had hij zelf opgespeld gekregen. Eén van de vaderfiguur, één van de zoon. Twee keer krek dezelfde toespraak waarbij gul gesmeten werd met gratis complimenten. Fideliteit. Loyauteit. Stiptheid. Plichtsbesef. In zijn herinnering zaten goede en kwade dagen, een mix van wrevel en vreugde. Hij was het geheugen van de fabriek. Nooit was hij één keer uit zijn rol gevallen. Meester noch knecht. Ze hadden hem nodig en omgekeerd. Deal. Meerwaarde voor Malander en voor malkander. Modest Malander was voor hem altijd 'Meneer Modest' gebleven. Ook toen zijn oude baas hem op zijn sterfbed vroeg om die meneer nu maar eens achterwege te laten.

‘In het heelal geen protocol. Zeg maar Modest.’

Hoeveel lichtjaren hoog die hemel vliegen was, meneer Oscar zou het nooit kunnen becijferen. Zijn leven was als een boekhoudkundig register. Beige kiel (nee geen grijze, hij wist waarom). Zwart potlood. Crayon rouge. Gom, scherper. Pennenmesje voor het (zeer uitzonderlijk) wegkrabben van een keer foutje. Moet kunnen. Meer had hij niet nodig om zijn bescheiden rol te spelen. Ze konden niet allemaal doen alsof ze een garçon de brasserie waren voor monsieur Jean-Paul Sartre Chez Flore.

Eerst kwam hij op zijn fiets van bij Clément Boelaert naar Malander. Daarna met zijn Zundapp brommer in waterdichte poncho over zijn gesteven blauw streepjespak (nee geen grijs, hij wist waarom). Tenslotte kocht hij een Daffodil Automatic en kreeg hij zijn voorbehouden plaats op de fabriekskoer met Monsieur Oscar op een bordje ervoor. In al die jaren van profijtig leven, kasbons kopen en knippen had hij zijn eigen huis met kunstig smeedwerk verwerkt in de voordeur en genoeg over voor een stek in De Haan-aan-Zee ter verzorging van zijn tere bronchiën. Malander was een stuk van zijn leven. Meer dan één keer hadden ze hem elders gevraagd. Bij de Union Cotonnière in Gent. De Tissage de Roubaix. Zelfs voor de cartonnage van bobijnkokers in Leuze.

Wat zou hij zich déplaceren? Gent moest hij al zeker niet. Dit vanwege de nare associatie die hij overhield sinds zijn broer via een apart loket vanuit het stadhuis versast werd naar de Avenue Desmet – Denayer voor verdere triage naar de kampen. Nee, hij was altijd liever in dit dal gebleven. Malander op werkdagen. ’s Avonds aperitief en bridge met de buren. Al het goud van Peru hadden ze hem mogen geven toch was hij gebleven.

En jawel er was ook hier geweven voor de nazi’s. Hij wist waar de orders verstopt waren. Onder welk visgraatparket. Onder welke comfortabele clubfauteuils. Er was geen andere optie, zo hadden ze zichzelf wijsgemaakt de patroons.

‘Wat wil je altijd hetzelfde verhaal. Altijd de ene bezetting na de andere. De Romeinen. De Spanjaarden. De Hollanders. De Oostenrijkers. De Japanners met hun namaakspeelgoed en hun motocycletten. En morgen wie weet de Chinezen met goedkope sokskes. Vlaanderen vaart niet uit om de andere landen te gaan plunderen gelijk Portugal. Vlaanderen marchandeert niet langs de oude zijderoute gelijk Holland. Vlaanderen werkt altijd voort. Bezet of niet’.

(Maakt niet uit voor wie.
Grijsgroene uniformen.
Streepjesstof voor de kampen).


‘Het was of voort weven of de fabriek sluiten'.
'We konden de wevers toch niet op straat zetten?'
'We konden ze toch niet in beestenwagons naar de werkkampen laten vertrekken?'
'En daarbij Oscar, wat zoude gij dan gedaan hebben? In mijn plaats?’

Hij wou meneer Modest zijn sterfmoment niet verpesten en zweeg beleefd. Zelf zou hij het hele foute boelke gesloten hebben. Zijn broer had bij het verzet gezeten. De nazi’s wisten waar ze hem moesten zoeken. Onder de dakpannen. Een wand achter het duivenkot. Blauwe geschelpten met aan de pootjes gecodeerde boodschappen voor Londen. Twee dagen duurde het eer zijn laatste duiven terugkeerden met nieuwe instructies. Zijn broer kwam nooit terug. Vanwege dood in Bergen-Belsen. Vertrappeld door mannen in grauwe uniformen. Hier geweven. Hij had ze gesloten de fabriek. Sleutel onder de mat en op naar Frankrijk. Meneer Modest had het onderwerp altijd gemeden. Het lag te gevoelig tussen hen. De familie was stinkend rijk geworden. Was het voor de oorlog kantje boordje geweest, erna kon het niet meer op. Cijfers liegen niet. En goudstaven spreken niet.

‘Ge moet dat in zijn tijdskader zien'.
'Achteraf oordelen is gemakkelijk'.
'Het was allemaal niet zo zwart'
'En ook niet zo wit’.

Nee. Het was grijs als een nazi-uniform.
Grijs-zwart als een streepjesplunje.
Op de kist van de laatste overlevende van de kampen.

Niemand die hen ooit met de beschuldigende vinger nawees. De repressie had haar eigen zondebokken. Die kregen alle aandacht, wat de grote economische collaborateurs goed uitkwam. En de zondebokken aan de publieke schandpalen hadden geen verborgen goudstaven. Monter weer aan de slag nu. Geen blaam kregen ze, al die mini-Kruppkes van hier. Geen smet. Misschien omdat ze ook wel een paar mensen van het verzet hadden weggestopt in de geheime gangen onder hun fabriek. Zo dubbel speelden ze het wel.Na de oorlog volgde hun grote weelde. Met op nationale feestdagen de Belgische vlag aan de fabrieksgevel. Goede landgenoten.

Er was nu geld met hopen. Maar diversifiëring en investeringen kwamen er niet.

‘Meneer Aimé, we eten al ons wittebrood op. In de tijd van meneer Modest...'

Aimé Malander luisterde al niet meer. Hij zat met zijn gedachten bij Chopin. Bij de partituur op de vleugel die hij maar niet in de vingers kreeg.

Gouden Bruiloft.
2018. (4). Copyright Stef Vancaeneghem.
Illustratie: 'Het aperitief'. Pierre Depuydt.