03 februari 2018

GOUDEN BRUILOFT (5)



De recommandé

‘Bij Malander wordt er niemand afgedankt. Over mijn dood lijk’.

Oscar had meneer Aimé nog weten sjotten tegen de poort van de weverij , maar dan gaandeweg steeds langer zien rondhangen met zijn boeken in een of andere hoek van de fabriek. Deze dromer zou nooit een echte baas zijn. Veel te teer gekweekt. Meneer Modest: dat was nog eens van een ander kaliber. Hard als het aambeeld van de smidse.

‘Wat zegt ge zijde ziek?’
‘Een indigestie? Alleen varkens hebben een indigestie’.
‘Geen camuskies’.
‘Schele koorts dat is voor de paters van Kongo’.

De enige keer dat meneer Modest zelf ziek werd gaf hij prompt het goede voorbeeld en ging hij dood.

Zijn wevers werden betaald volgens de geldende tarieven van de Union Patronale, geen kwartje meer. Bij zijn begrafenis werd hij op zijn doodsprentje geprezen en ongeveer heilig verklaard om zijn diepchristelijke valeurs.

Met meneer Aimé veranderde alles. Het volstond dat de conterbaas hem wat vroeg namens de wevers en ze kregen het. Malander & Co zou voortaan één grote familie zijn. Wie zich niet goed voelde, mocht voortaan gaan thuis uitzieken of kreeg bij erger in het ziekenhuis een mand grote druiven en flessen cider van in het winkeltje boven Hogerlucht.

Na het huwelijk van Mathilde Malander met Richard Molendam had meneer Oscar meneer Aimé er al vaker voor gewaarschuwd dat die nieuwe schonen van hem Malander & Co overdadig voorzag van onderdelen voor steeds schaarser draaiende getouwen.

‘Maar enfin, ik kan mijn eigen schoonbroer toch moeilijk terugfluiten? Dan steek ik Mathilde in de miserie. En dat wil ik niet’.

Bij elke nieuwe balans had meneer Oscar ervoor gewaarschuwd dat, als er niet snel werd ingegrepen, Malander & Co in ijltempo zou wegzakken van een gezonde zaak met sterke reserves naar een uiterst kwetsbaar bedrijf in moeilijkheden.

‘Hier ziet ge goed waar het begint te kantelen. De aandeelhouders, het personeel, de marchandise en vooral niet te vergeten de kunstmatige overstocks van uw schoonbroer.’

Aimé Malander stond bij het raam, keek naar het fietsenrek ging dan meneer Oscar voor naar de glazen kooi van mademoiselle Adolphine, door de andere employés schalks Fine Napoléon genoemd.

‘Adolphine. Een recommandé naar meneer Molendam.’
‘Het heeft nog lang geduurd. Dat heeft hij aan zichzelf te danken'.
‘Allons-y, Adolphine'.

Monsieur Molendam,
Mon cher gendre,

Na grondige conciliabule met mijn adviseurs zie ik mij geforceerd ja Adolphine wat scheelt er nu weer? …Le bout de mon crayon a craqué il est foutu De crayons van bij Bouton ze deugen niet zeg ik...Zodra mogelijk hervatten we natuurlijk bij voorkeur onze commandes. Etcetera et blablabla.


'En natuurlijk motus et bouche cousue hierover, Adolphine. Ze zeveren al genoeg over de menage van ons Mathilde'.
'Je suis une mémoire d’outre-tombe'.
'Zo kennen we u Adolphine'.
'Maar wat als Molendam hier van zijn gat komt geven?'
'Hem dan sebiet naar mijn bureau brengen'.
'Cela promet'.
'Deze instructie ook doorgeven aan Madelon en de andere employés'.
'Madelon is anders wel een ferm klapgat, meneer Aimé'.

Gouden Bruiloft.
2018. (5). Copyright Stef Vancaeneghem.
Illustratie ‘Directiehall’. Pierre Depuydt. Gent.

02 februari 2018

GOUDEN BRUILOFT (4)



Visgraatparket

‘Dans ce cas nous aviserons. Maar zijde gij wel zekers van uw cijfers, meneer Oscar?’

Aimé deed gemaakt verwonderd. Een manier om zijn verveling te verdrijven tegenover de koele cijfertaal. De winstmarges en verliescijfers van zijn boekhouder lieten hem koud. Hooguit had hij van zijn vader, Modest Malander onthouden dat je wevers pas afdreigt met collectief ontslag als de staking wat te lang duurt.

De chef-comptable onderdrukte zijn misprijzen over de desinteresse voor zijn vakkennis, verwerkte de gefnuikte beroepseer met een veelzeggend schouderophalen en overliep nog een laatste keer alle eindcijfers onderaan zijn kolommen.

'Rood. Rood. Rood en dus geen brood'.

Droog als een leraar wiskunde op maandagochtend. Hier en daar met de wijsvinger op een ‘dramatisch’ fout cijfer. Zonder zichtbare emotie.

‘Cijfers liegen niet'.

Veertig jaar al werkte meneer Oscar voor Malander. Samen met pater familias Modest had hij dit bedrijf zien groeien en bloeien. Agenturen in Argentinië en Chili, aandelen in spinnerijen en draadververijen. Grote plannen. Van 5 werknemers naar 25, van 25 naar 250. Welgeteld 40 vieringen van Sint-Ambroos. Wiens feestdag gevierd wordt op de 7 de dag van de 12de maand. In de 49ste week. Als de zon opgaat om 8.30u. Achter de Kruisberg duikt om 16.38u. Na een zonneschijn van amper 1 uur en 35 minuten. Cijfers liegen niet.

In de voor de gelegenheid opgesmukte refter naast het magazijn van Serafijn had hij die 40 feesten van Sint-Ambroos gaandeweg zien verschrompelen tot een sobere korte decoratie-ceremonie voor de oudgedienden. Hij kende lief en leed van wevers en spinsters. Wist wie in De Oude Dragonder bleef hangen. Wie daarna zijn vrouw afranselde met de matrassenklopper. Wie echt geholpen moest worden.

Twee decoraties had hij zelf opgespeld gekregen. Eén van de vaderfiguur, één van de zoon. Twee keer krek dezelfde toespraak waarbij gul gesmeten werd met gratis complimenten. Fideliteit. Loyauteit. Stiptheid. Plichtsbesef. In zijn herinnering zaten goede en kwade dagen, een mix van wrevel en vreugde. Hij was het geheugen van de fabriek. Nooit was hij één keer uit zijn rol gevallen. Meester noch knecht. Ze hadden hem nodig en omgekeerd. Deal. Meerwaarde voor Malander en voor malkander. Modest Malander was voor hem altijd 'Meneer Modest' gebleven. Ook toen zijn oude baas hem op zijn sterfbed vroeg om die meneer nu maar eens achterwege te laten.

‘In het heelal geen protocol. Zeg maar Modest.’

Hoeveel lichtjaren hoog die hemel vliegen was, meneer Oscar zou het nooit kunnen becijferen. Zijn leven was als een boekhoudkundig register. Beige kiel (nee geen grijze, hij wist waarom). Zwart potlood. Crayon rouge. Gom, scherper. Pennenmesje voor het (zeer uitzonderlijk) wegkrabben van een keer foutje. Moet kunnen. Meer had hij niet nodig om zijn bescheiden rol te spelen. Ze konden niet allemaal doen alsof ze een garçon de brasserie waren voor monsieur Jean-Paul Sartre Chez Flore.

Eerst kwam hij op zijn fiets van bij Clément Boelaert naar Malander. Daarna met zijn Zundapp brommer in waterdichte poncho over zijn gesteven blauw streepjespak (nee geen grijs, hij wist waarom). Tenslotte kocht hij een Daffodil Automatic en kreeg hij zijn voorbehouden plaats op de fabriekskoer met Monsieur Oscar op een bordje ervoor. In al die jaren van profijtig leven, kasbons kopen en knippen had hij zijn eigen huis met kunstig smeedwerk verwerkt in de voordeur en genoeg over voor een stek in De Haan-aan-Zee ter verzorging van zijn tere bronchiën. Malander was een stuk van zijn leven. Meer dan één keer hadden ze hem elders gevraagd. Bij de Union Cotonnière in Gent. De Tissage de Roubaix. Zelfs voor de cartonnage van bobijnkokers in Leuze.

Wat zou hij zich déplaceren? Gent moest hij al zeker niet. Dit vanwege de nare associatie die hij overhield sinds zijn broer via een apart loket vanuit het stadhuis versast werd naar de Avenue Desmet – Denayer voor verdere triage naar de kampen. Nee, hij was altijd liever in dit dal gebleven. Malander op werkdagen. ’s Avonds aperitief en bridge met de buren. Al het goud van Peru hadden ze hem mogen geven toch was hij gebleven.

En jawel er was ook hier geweven voor de nazi’s. Hij wist waar de orders verstopt waren. Onder welk visgraatparket. Onder welke comfortabele clubfauteuils. Er was geen andere optie, zo hadden ze zichzelf wijsgemaakt de patroons.

‘Wat wil je altijd hetzelfde verhaal. Altijd de ene bezetting na de andere. De Romeinen. De Spanjaarden. De Hollanders. De Oostenrijkers. De Japanners met hun namaakspeelgoed en hun motocycletten. En morgen wie weet de Chinezen met goedkope sokskes. Vlaanderen vaart niet uit om de andere landen te gaan plunderen gelijk Portugal. Vlaanderen marchandeert niet langs de oude zijderoute gelijk Holland. Vlaanderen werkt altijd voort. Bezet of niet’.

(Maakt niet uit voor wie.
Grijsgroene uniformen.
Streepjesstof voor de kampen).


‘Het was of voort weven of de fabriek sluiten'.
'We konden de wevers toch niet op straat zetten?'
'We konden ze toch niet in beestenwagons naar de werkkampen laten vertrekken?'
'En daarbij Oscar, wat zoude gij dan gedaan hebben? In mijn plaats?’

Hij wou meneer Modest zijn sterfmoment niet verpesten en zweeg beleefd. Zelf zou hij het hele foute boelke gesloten hebben. Zijn broer had bij het verzet gezeten. De nazi’s wisten waar ze hem moesten zoeken. Onder de dakpannen. Een wand achter het duivenkot. Blauwe geschelpten met aan de pootjes gecodeerde boodschappen voor Londen. Twee dagen duurde het eer zijn laatste duiven terugkeerden met nieuwe instructies. Zijn broer kwam nooit terug. Vanwege dood in Bergen-Belsen. Vertrappeld door mannen in grauwe uniformen. Hier geweven. Hij had ze gesloten de fabriek. Sleutel onder de mat en op naar Frankrijk. Meneer Modest had het onderwerp altijd gemeden. Het lag te gevoelig tussen hen. De familie was stinkend rijk geworden. Was het voor de oorlog kantje boordje geweest, erna kon het niet meer op. Cijfers liegen niet. En goudstaven spreken niet.

‘Ge moet dat in zijn tijdskader zien'.
'Achteraf oordelen is gemakkelijk'.
'Het was allemaal niet zo zwart'
'En ook niet zo wit’.

Nee. Het was grijs als een nazi-uniform.
Grijs-zwart als een streepjesplunje.
Op de kist van de laatste overlevende van de kampen.

Niemand die hen ooit met de beschuldigende vinger nawees. De repressie had haar eigen zondebokken. Die kregen alle aandacht, wat de grote economische collaborateurs goed uitkwam. En de zondebokken aan de publieke schandpalen hadden geen verborgen goudstaven. Monter weer aan de slag nu. Geen blaam kregen ze, al die mini-Kruppkes van hier. Geen smet. Misschien omdat ze ook wel een paar mensen van het verzet hadden weggestopt in de geheime gangen onder hun fabriek. Zo dubbel speelden ze het wel.Na de oorlog volgde hun grote weelde. Met op nationale feestdagen de Belgische vlag aan de fabrieksgevel. Goede landgenoten.

Er was nu geld met hopen. Maar diversifiëring en investeringen kwamen er niet.

‘Meneer Aimé, we eten al ons wittebrood op. In de tijd van meneer Modest...'

Aimé Malander luisterde al niet meer. Hij zat met zijn gedachten bij Chopin. Bij de partituur op de vleugel die hij maar niet in de vingers kreeg.

Gouden Bruiloft.
2018. (4). Copyright Stef Vancaeneghem.
Illustratie: 'Het aperitief'. Pierre Depuydt.

31 januari 2018

GOUDEN BRUILOFT (3)



Wanda

Met tien jaar beroepservaring tussen de karmijnrode Louboutins tokkelt Wanda op de broeksriem die hij van Mathilde op zijn bord gedropt heeft gekregen voor de kerst.

‘Komt ge voor een rapke meneer Richard? Of hebben we tijd voor de burgemeestersmarathon? Ik wil iets doen uit mijn steraanbieding van de hotelsuite in Rijsel. Als de beau monde overkomt uit Parijs’.

Nu toegeven aan zijn nieuwsgierigheid. Wat moet hij met schone manieren en al die oude wellevendheidsregeltjes die van hem bijna een weke hadden gemaakt, een loser met onzekere levensverzekering op het aards paradijs. Al bij al kiest hij hier vandaag zelf voor deze professionele verleiding. Dit is waar hij voor komt, staat en gaat in alle betekenissen van komen en staan. Betaald genot. Met het verrukkelijk risico van eeuwige verdoemenis er bovenop. Als jongen van bescheten huize kent hij geen verfijnder genot.

‘Ge hebt nog altijd een gesculpteerd lichaam. Doet ge nog exercices voor uw gewrichten? ’t Zijn gelijk allemaal musculussen wat ik voel'.

Wanda etaleert haar kunsten. Een jaar of wat in de Blue Moon omdat ze de mooiprater geloofde die zei dat hij van haar een prinses maken zou. Dan doorverkocht aan haar Franse pooier. Nu overal inzetbaar tussen Parijs en Amsterdam. Hij houdt ervan haar zwijgend te observeren. Altijd uw stand in stand houden. Een Molendam blijft een Molendam, met of zonder kleren aan. Al bij al heeft hij geen tijd voor de hele revue. Dit is Notre-Dame de Paris niet. Op zijn orderboekje wacht vanmiddag in de Halifax nog een hoogst interessante klant. Als hij dit verzetje niet te lang rekt, kan hij zijn rijkgevulde dag afronden met het jaarloon van vier weverkens die ter botermarkt gaen.

‘Ge weet niet wat ge mankeert. Ik zal het reserveren voor uw volgende visite. Ge gaat janken gelijk een prairiehond’.

Hij concentreert zich op zijn Monte-Christo, bijt de punt eraf spuwt hem in de geglazuurde kikker op de salontafel, blaast de rook in cumulonimbusjes de kamer in en laat zich door Wanda verwennen zonder haar ook maar één blik te gunnen.

Zonder liefde
oewarme liefde.


Artikel 1 van De Wet van Molendam.
Nooit met ondergeschikten converseren.


‘Als het zeer doet moet ge het mij zeggen maar misschien hebt ge graag dat het zeer doet. Ik heb vooral graag dat ge content zijt van mijn escort service haut de gamma'.

Haut de gamme, wat zou ze. Eén keer is er controle geweest tijdens hun esbattementen. Zo heeft hij vernomen dat ze eigenlijk Kielemoes Wendy heet en van de kust komt.

‘Kunt ge mijn geurken rieken? Ik heb getwijfeld tussen J’adore van Dior en D’accord van Max Factor'.

Ze oogt ouder dan ze is, hij schat rond de veertig.

‘Zie dat ge mijn poepke niet in vuur en vlam zet met uw dikke sigaar meneer Richard. Gaat ge mijn cadeauke niet vergeten?'

Blij mag ze zijn dat ze een vast maandinkomen overhoudt aan hem. Nooit veel complimenten. Nooit vijftig tintelingen prijs. Als zakenman kan je je inspanningen beter doseren. Je dient je prioriteiten te kennen.

‘Draait u om dat ik u hier een keer kan relaxeren vanaf uw nek tot aan uwen happy end. Ge zit zeker weer met uw kop vol muizenissen. Het is apropos niet verboden ondertussen te zeggen dat ik heel lief ben’.

Hij komt hier voor het onderhoud van zijn landingsstel zoals hij met zijn Rolls naar Brussel glijden zou voor nazicht van zijn roulementen. Vandaag is er echt geen tijd voor blabla bij de boemboem. Tijd is geld. Er moet nog een en ander versast naar Panama, eer de beurskoers kuren krijgt.

Terwijl Wanda afwerkt waartoe zijn pak briefjes onder de poten van de kikker bestemd zijn, overziet Richard Molendam hoe hij het leven toch maar mooi in kaart heeft. Wat niemand ooit voor mogelijk had gehouden is hem toch maar mooi gelukt. De commentaar van zijn kaartvrienden.

‘Malander? De vetste vis van allemaal’.
‘Groter dan de Compagnie du Zoute'.
‘Vetter dan Vandenavenne’.
‘En Vandenmoortele’.
‘Dat ware pas koekenbak’.
‘Als ge die kunt strikken zijt ge binnen’.
‘Pas toch op dat ge uw hand niet overspeelt’.


Goed en wel getrouwd was hij. Met Mathilde Malander.

‘Mijn broer Aimé zegt dat ge geen goede partij zijt voor mij, sorry dat ik het zo cru zeg Richard’.

Haar broer de larve. Klein krijgen zal hij het familiaal verzet. Voorlopig mag Aimé nog het baasje spelen. Op de knieën krijgt hij hem. Hij en alle anderen op zijn weg naar nooit geziene glorie en nog ongeziene weelde. De Tour de France en De Ronde van Vlaanderen en Nokere Koerse en als het moet heel die Flanders Santeboetieks zal hij kopen. Tegelijk Anderlecht en Club Brugge en Oostende er bovenop alleen om te tonen wie hij, Richard Molendam wel is.

Een heel regiment romantische pretendenten heeft ze achter haar dolly dot gehad Mathilde. Zij de kroonprinses. Naam. Geld. Een opvoeding waar al die femmes savantes uit haar bibliotheek vol goud op snee, Marguerite Yourcenar,Suzanne Lilar, Madame de la Fayette, Simonne de Beauvoir samen een profijtig crayonpuntje kunnen aan zuigen.

Met geduld. Met potig gedrag. Perfect volgens plan heeft hij haar verwijfde pretendenten één na één het nakijken gegeven. Een geslaagde roddelcampagne op het juiste moment voor de ene. Een vijandig bod en pseudo deskundige bankinformatie over een dreigend faillissement voor de andere. Voor de rest wat imponeren op de korte termijn. The Great Gatsby.

‘Ik ga het straks toch nog moeten geloven dat het niet waar is dat ge op mijn geld aast als een varaan op zijn prooi’.

In de vrijage met Mathilde heeft hij kosten noch moeite gespaard om de kip met de gouden eieren in huis te krijgen.

‘Aimé stond met zijn mond vol tanden toen ik hem de verlovingsring van de Place Vendôme toonde. Zijt ge zeker dat die echt is Mathilde? Moet ik hem onder de loupe laten bekijken in Antwerpen?’

Diamanten zijn voor eeuwig dat is geen cinema. Hij wist nu al zeker dat hij Mathilde ooit overleven zou. Zij met haar broze gezondheid vanwege altijd teveel verwend en veel te zacht gekweekt thuis daar bovenop haar toverberg. Dan kon hij nog altijd zien wat hij met de steen zou aanvangen. Geen risicobelegging.

‘Ja Richard. Tot de dood ons scheidt’.

Mathilde Molendam- Malander. Haar nieuwe naam als zijn wettige echtgenote. Met als bruidsschat al haar aandelen.

‘Kom niet te laat naar huis mon coeur Ik vraag aan Germaine dat ze uw lievelingssoufflé prepareert'.

Hij had alles op een rij. Dit was pas het begin.

‘Vergeet uw sjaalke in soie naturelle niet, meneer Richard. Ik zal er een druppel parfum op doen dat ge nog na geniet.’

Nee liever niet. Pas de traces. Er zou een dag komen dat hij ze allemaal overtreffen zou in macht en rijkdom. Iedereen zou vroeg of laat voor hem plooien, barsten of buigen. In alle clubs zou naar hem verwezen worden als naar dé succesvolle maakbare mens, de zakken vol geld. Consul van Liechtenstein zou hij worden. Speciale attaché voor onze missies in het buitenland. Persoonlijk raadgever van het hof.

‘Bedankt meneer Richard. Voor u bel ik een ander af bij Deedee, dat weet hij. Ze mogen zelfs van over de grote plas komen overvliegen. Maakt niet uit. Gij gaat voor. Desnoods doe ik een dubbele shift'.

Vanavond zou hij de plannen van hun patriciërswoning bestuderen. Het moest het mooiste huis worden van de hele laan. Mozaïekvloeren, visgraatparket, kunst alom, badkamer bij elke kamer, beeldentuin. Iedereen zou eens zien hoe welvarend hij wel was.

‘We gaan hem Victor noemen, Mathilde’.

De overwinnaar. De veroveraar. De enige naam die alles in zich had wat er voor Richard Molendam echt toe deed. Eén kind. Eén. Het fortuin moest groeien. In de eigen stamboom blijven hangen.

‘En als het een meisje is, noemen we het Victoria…’

Daar had je het al. Dochters lopen weg met je geld. Dochters dragen de bruidsschat naar een ander. Dochters baren de kinderen buiten het eigen wingewest. Molendam moet Molendam blijven:

Molendam Means Money.
Artikel Twee van De Wet van Molendam.


Alleen geld maakt gelukkig. Al de rest is bullshit.

‘Krijg ik één zoen meneer Richard? Bij wijze van au revoir’.

Vingervlug duwde hij een vet bankbiljet in het hartje van haar pruilmond. Ze komt goed weg dacht hij. Vreemde vrouwen kuste hij nooit. Mathilde alleen als het echt niet anders kon. Tederheid en al die zever, wat moet je ermee?

Gouden Bruiloft.
2018 (3). Copyright Stef Vancaeneghem.
Illustratie: Frank Derie.

GOUDEN BRUILOFT (2)



Richard Molendam

Breng me nu maar naar de plek van waaruit ik voor eeuwig een machtig mooi uitzicht heb op het dal. Voer mijn urne traag in zilvergrijze limo naar de dodenheuvel waar de jonge stadswerkman me uitstrooien zal. Zoals hij het dag na dag doet met de waardigheid die van hem wordt verwacht. De argeloosheid van zijn jeugd staat nog te ver af van andermans dood om in de afscheidsrituelen meer te zien dan een broodwinning. Een levenslang vast inkomen om zijn schakelwoning in De Stadstuin af te betalen. Met tussendoor nu en dan een reisje naar de zon.

Zoals het bezwete meisje in haar stomende goudgele tent op de zomerkermis bloemsuiker strooit op de oliebollen, zo zal hij mijn as uit zijn koperen tuigje persen. Een duizendmaal herhaalde mix van vervangende mystiek en vergane dodensymboliek. Meer dan professioneel geregisseerde inleving zit er voor hem niet in. Empathie heeft haar grenzen.

Laag danst mijn as nog twee tellen in het rond dertig centimeter boven de grond. Straks blaast de wind mij nog een keer terug in de ogen van de gieren van erfgenamen voor wie de snelceremonie al te lang duurt. Zie ze haastig met gemaakt verdriet hun roos naar mij smijten.

‘Wie gaat dat hier betalen?’
‘Was een krans niet genoeg?’
‘Wanneer zijn we geconvoceerd bij de notaris?’
‘Heeft iemand al nieuws?’
‘Wat zegt ge dat het nog lang kan duren?’
‘We zijn met twaalf verspreid over de landkaart’.
‘Die kunnen nu toch snel opgespoord worden met Google Map?’
‘Eindelijk gaan we haar rekenschap kunnen vragen’.
‘We doen haar een proces aan’
‘We claimen alles van haar terug’.
‘Ik ken een goeie zakenadvocaat’.

In korte, sierlijke bochten mikt de strooier mijn resten op het gras. Als tekent hij voor de laatste keer mijn initialen op deze planeet. Eerst voelt hij met de natte vinger van waar de wind komt. Vakmanschap is meesterschap. Laat het nu maar sneeuwen op het fijn stof dat overblijft van Richard Molendam. Echtgenoot van wijlen Mathilde Malander. De laatste sneeuw.

Dat je op het eind van je leven alles als in een Cinemascope terugziet, is dikke zever. Geldt alvast niet voor mijn zelfgekozen afscheid van het leven. Alles is volbracht. Nu ik de notaris exact gedicteerd heb wat ik wens. Molendam wikt, Molendam beschikt. Zo is het altijd geweest. Zo blijft het in het uur van mijn dood. En zelfs daarna. Zoals ze nu gauw genoeg gaan merken de gieren.

Als Elodie straks komt om mij zonder genegenheid te wassen zal ze een lijk vinden. Ik zal er niet langer moeten op toezien hoe ze eerst brutaal de overgordijnen wegrukt, dan in een zoveelste zucht de rolluiken optrekt.

De vernedering van mijn aftakeling kan toch nooit groter worden. Dood vergeet mijn tanden niet, op het tafeltje. Mijn ringen ben ik al kwijt. Ze heeft ze mee gegraaid en doorverkocht aan de Goudcentrale. Ik heb gelezen dat ze die in de kampen van de nazi’s ook vooraf weg namen. De gouden tanden ook. Eerst al het goud eraf en eruit. Dan zonder kleren met een ster erop onder het gas en in het vuur.

Welke nevenwerking die pillen hebben als ik ze allemaal tegelijk neem, weet ik niet. Eén na één heb ik ze uit de doosjes gepikt, onttrokken aan het alziend oog van Elodie. Pil na pil dichter bij de bevrijding uit alle lijden.

Bang ben ik niet. Ook jij bent alleen op mijn fortuin uit, Elodie. Het geld dat ik je geef, het geld dat je hier dag aan dag van me mee graait. Maar toch hou ik mijn gegeven woord. Ze gaan opkijken, de aasgieren.

Ik, Molendam Richard, de vermaledijde, zal hier nog een laatste keer postuum bewijzen dat mijn wet de wet is. Ik zal hen tonen hoe ik in mijn eentje sterker ben dan hun hele kliek bijeen. Grootser in de haat. Fideler in de passie. Bevrijd van alle kommer sterf ik als de winner die ik altijd was. Sterker dan de rest. The winner takes it all.

Ik weet niet of ik je nu terugzie, Mathilde. Ik denk het niet. Er was heel veel geld tussen ons. Geld dreef ons uiteen. Maar achter het fortuin dat ik van je nam, stak mijn grootser plan. Voor jou en voor mij. Iets moois met kinderen en geluk. Adieu Mathilde. Ik weet niet of god zich nog om zijn schepping bekommert. Misschien kan het hem gewoon geen zak schelen. Dobbelt hij er maar wat op los, om de verveling te verjagen.

En jij, Nena, mijn alles. Waarom liep het zo? Waarom kwam je helemaal uit je thuisland vluchten tot diep in mijn leven. Eerst om me te troosten, dan om me te vervloeken en te verdoemen. Waarom zadel je me in mijn laatste levensuur op met niks dan schaamte?

Gouden Bruiloft.
(2) 2018.Copyright Stef Vancaeneghem.

29 januari 2018

GOUDEN BRUILOFT (1)



Lena Lena

De dokters hebben gedaan wat hen te doen stond. Toen je pijn ondraaglijk werd, hebben ze me gevraagd of ze mochten ingrijpen. Zo zegden ze het. In hun witte kielen taal die van de zachte dood een eufemisme maakt. Liever dat, dan nog een nacht langer je pijn aanzien.

Lang durfde ik je dagboek niet openslaan. Het was me nog te scherp allemaal. Ik was bang om te lezen wat ik vreesde. Hoewel je volhield dat je me alles verteld had over mijn verwekker. Toen je voelde dat je de strijd aan het verliezen was, heb je er op aangedrongen dat ik het lezen zou . Je leven na je dood.

‘Jij hoort te weten wie je bent, liefste. Lees het voor ons. En nooit opgeven. Altijd met geheven hoofd.’

Bladzij na bladzij heb ik je verborgen geschiedenis verkend. Met Seasons in the sun in de oortjes. Alle versies op You Tube en Spotify heb ik bij het lezen van je verhaal beluisterd. Eerst kwamen de vage contouren van je meisjestijd in je thuisland. Dan je nieuwe leven bij mamoe Mathilde. Het leven lachte je toe aan haar zijde. Je geluk lijkt niet op te kunnen als je daarover schrijft. Het leest als een lied dat je zingt en schrijft tegelijk.

Dan slaat alles om.
De hel door hem.

De laatste bladzijden in je dagboek die koester ik als een kleinood. Je schrijft over ons leven samen na onze vlucht naar Brussel. Ik mee in je buik. Op naar de liefde na de haat. Op naar de man die je zo lief had en die mijn echte vader werd.

Ik weet nu alles wat ik weten moet om te zijn wie ik ben . Je nalatenschap is de warme liefde en de tederheid die je me meegaf. Maar vergeten doe ik niet. En vergeven, sorry ik kan het nog niet.

Daarstraks ben ik naar het naar de dodenheuvel getrokken waar zijn as ligt. Geschreeuwd heb ik er. Een vuist gemaakt voor jou, voor mij. Je schrijft dat ik moet vergeven. Dat alleen god een oordeel vellen mag. De god van je oude onwrikbare geloof dat het mijne niet meer is en hier nu gaandeweg vervangen wordt door een ander. Misschien trekt jouw god zich niks aan van dit alles in zijn voort razend spel van oorzaak en gevolg, noodzaak en toeval.

Vanochtend ben ik alles goed gaan uitschreeuwen tegen de man die mijn natuurlijke vader was en je leven vernielde. Alle woorden die ik tussen de regels in je dagboek las en die jij me nièt meegeven wou of kon.

Mijn woorden tussen jouw verhaal. Woorden die op me afkwamen als kreten van koleire. Zijn harde vernieling. Zijn koud cynisme. Zijn schone schijn. Zijn machtsmisbruik. Zijn vernedering en verkrachting. Zijn hele grensoverschrijdend leven. Zoals ze dat vandaag zouden noemen, van hier tot in Hollywood.

Ik stond daar zijn hele curriculum bijeen te schreeuwen. Ik schreeuwde tegen de hel die hij van jullie leven gemaakt heeft. Maar ik schreeuwde tegen een nat grasperk met hier en daar verwelkte bloemen. Er is niks meer om tegen te schreeuwen. Er is alleen maar nat gras.

Gouden Bruiloft.
(1)2018. Copyright Stef Vancaeneghem.
(Les danseuses van Frank Derie).