08 maart 2018

SELECTIEF GEHEUGEN



DJU PYGMALION.
DJU TOCH.


Geheeld van
scheve hersenkronkels
en van zielenpijn.


Moet je alles bewaren? Of kies je voor de tabula rasa met al je ouwe papieren, boeken, foto’s, brieven, documenten? Wat moet je ermee met al die paperassen die je alleen maar scherper confronteren met de opdringerige eeuwigheid om je heen in brieven, foto’s, boeken?

Op stap met Jan Schodts in de Wetstraat.
Onderweg met Mark Van Lombeek in de koers.
Op de set van de Leeuw van Vlaanderen met Hugo Claus en Julien Schoenaerts.

Onderweg naar het boek dat ik herlezen wil van Claus bots ik op het opus van Ooggetuige Johan Anthierens, zorgvuldig bijeengebracht door de schrandere Brigitte Raskin samen met Karel Anthierens. Als een burcht tegen de tijd die lang vergleden is. In dat boek vind ik dan weer de laatste foto genomen op de redactie van Spectator door mijn - dan al doodzieke - broer Johan: een foto van hoofdredacteur Jefke Anthierens onze persoonlijke betere taalprof. Ik denk eraan, tussen twee te ledigen dozen door, wanneer er tijdens de generale repetitie van Pygmalion door Theater Voor Taal en Volk tussen twee dedju’s door een stilte valt. Moet ik echt nog alles houden van wat ik van VTV hier in kartonnen dozen zitten heb aan Tavi- en andere relieken? Wat moet ik met deze berg van papier die me gaandeweg overmeestert, er me hopeloos confronterend aan herinnert hoe lang het ondertussen ook alweer geleden is dat Madleeneki dood ging: zo mooi, zo blond en zo doodziek. Samen stil vanop dat balkon naar één van haar opvolgsters kijken onder de luidruchtigheid alom. Herinneringen van papier weg doen is een tweede keer afscheid nemen van wat nooit terugkomt. Dus probeer ik zorgvuldig te selecteren meestal toch nog maar eventjes te houden. We zien wel, maak ik mezelf wijs. Op zoek naar een goed vakantieboek voor een vriend, bots ik op de rekken hier op een parel van Piet de Moor, ooit mijn minzame schrijfbroeder bij Spectator. Blijf er alweer in haken. Zo mooi en zo scherp toch die pen van Piet.

In de wespentaille
van de zandloper
lichten de schubben
van de tijd even op.

Iedereen is zijn
eigen zwarte doos.

Soms ga ik wandelen en gebeurt er niets.
Dan schrijf ik op wat me niet overkomt.


En deze hier die hard aankomt, nu de schrijfvloer om me heen bij gebrek aan lege rekken gaandeweg gevuld geraakt met leesvoer van zielenknijpers allerhande:

Er is niet alleen de naïviteit van de filosofische tekst, maar ook de systematische vlucht van de filosofen uit de werkelijkheid. Peter Sloterdijk vergelijkt hun positie met die van maffiosidochters wier levensgeluk gebaseerd is op het feit dat zij gehuld blijven in een wolk van onwetendheid omtrent de oorsprong van de vaderlijke welstand.

Wegblazen die wolk van onwetendheid, in afwachting van de grote versnipperaar voor mezelf? Het afscheid van elk boek, elk papiertje elke foto ligt lastig en wordt zwaar overwogen. Elke basketploeg op de Steenbrugge wordt weer opgesteld. Elk Gevuigoode Mandoline-lied weer geblazen met het muilschuiverke uit de blikken trommel. Elk scoutskamp met de Ridders van de Fiertel doe ik over. Elke klasfoto ga ik weer helemaal af. De doden worden geteld en forever warm gekoesterd. Elke redactie opnieuw samengesteld. Dedju, Pygmalion. Dju toch. Je hebt geen idee wat tijd vermaalt. Met zijn allen zitten ze hier weer voor even bijeen springlevend in mijn schrijfstekje. Een stoet klasgenoten, collega's, schrijvers, toneelspelers, muzikanten, kunstenaars. Zien ze me hier in mijn eentje altijd maar voort tikken tegen mijn tijd en hun sterren op.

En attendant
le zwarte gat.


Hun tijd zit er al op. De mijne glijdt snel weg in hun richting. Letter na letter. Tot er op een dag geen greep meer is, op de lettergrepen. De nagenoeg zevenhonderd Pluspunten die ik op mijn vrije dagen voor het lokale verschijnsel Plus geschreven heb zijn, zo lees ik hier vandaag door de voormalige hoofdredacteur ervan Robert Hoebeke plechtig overgemaakt aan de Geschied-en Oudheidkundige Kring. Dedju dedju Luc Lamon je bent er even weer, de zelf gedraaide kankerstok onveranderlijk in de monkelende mondhoek.

Aan mijn zoektocht naar ‘Hermes’ en het eindeloos snuffelen in de vaak versnipperde historische bronnen over de Romeinse stadsprefect en patroon van Ronse heb ik hoe dan ook het diepste respect overgehouden voor de stille vorsers van de Kring en hun vaak onwaarschijnlijke opzoekingen in stoffige scriptoria. Als waren het personages van Umberto Eco in ‘De Naam van de Roos’ of van Marguerite Yourcenar in ‘Hermetisch Zwart’ . Mooi, maar of dat de tijd tegenhoudt?

In Gent val ik vanuit knagend heimwee nog een keer binnen in onze aloude journalistenstek The Bridge onder de kathedraal en zie ‘God grijpt in’ zoals Jef Anthierens had gelachen. Onverwacht blij weerzien met mijn oudste broer Pol die, na alle Russen en na wie al niet, nu vooral veel Simenon leest:

‘Want al die filosofie
en psychologie,
het is niet echt mijn ding'.
(Vertaal: 'Eat this, kleine. Er gaat niks boven poëzie. Jij nu, met je rusteloze zoektocht naar zingeving').

Weer thuis bij de voortzetting van mijn grote schoonmaak valt er (echt waar wie kan zoiets bedenken tenzij de god die overal ingreep en toch niet bestond van Jefke ) uit een boek één van de gedichten die Pol me met regelmaat in zijn kalligrafisch handschrift laat geworden per post.

Fiertel.

…Zijn heilige botjes hebben sindsdien vanuit het gulden schrijn,
menig inboorling, en volk van ver in het ronde,
geheeld van scheve hersenkronkels en van zielenpijn,
en –mits boete en dukaten – geabsolveerd van vele zonden.

Laat ons daarom weer fiertelen gaan voor de duizendste keer,
ondanks nazi’s ooit, of nu soms ’t slechte weer,
de magische cirkel trekken die ons redden moet,
van rampspoed of ’t storten van onschuldig bloed.


Ik denk dat ik de gedichten van Pol hou.
Al de rest: tabula rasa.


Dan langs de
groene vingers van Ronse
voorbij de Populieren
naar het Muziekbos
blijven schrijven
over wat me
niet overkomt.

‘Het verdriet staat niet alleen’. Hugo Claus. Een leven in verhalen. De Bezige Bij. Verzameld door Mark Schaevers.
‘Johan Anthierens’. ‘Niemands Meester, niemands knecht’. Autobiografische teksten. Bezorgd door Brigitte Raskin in samenwerking met Karel Anthierens. Uitgeverij Van Halewyck.
‘Lettergrepen’. Piet de Moor. Van Gennep.
'Onuitgegeven gedichten'. Pol Vancaeneghem. Uit mijn privécollectie.

06 maart 2018

BRIEFGEHEIMEN

RONSENAAR RUDY:
REKENING KOMT ZO




Spontane onthaalhoffelijkheid is voor Ronsenaars vanzelfsprekend. Ze is levenslang gegarandeerd. Positief correcte wieties zijn we. Nu en dan krijgen we daarvoor een stamp onder onze kont. Bij wijze van dikke merci. Door het bijzonder taalstatuut van Ronse telkens weer opnieuw te bezigen als politieke truc om onze stad klein te houden en ondertussen vrolijk te plunderen, maken jullie zelf gaandeweg van Ronse die ene onverzettelijke enclave uit verhalen van Astérix en Obelix. Met jullie hautaine houding als gretig graaiende buren (graaien: naar onze fabrieken, onze immo, onze transfer-subsidies voor jullie ontsluiting die de onze ondertussen blokkeert) schrijven jullie zèlf in versneld tempo het scenario dat er nu in ijltempo zit aan te komen. Bij deze de Oscar voor het worst case scenario. Het hoefde voor ons niet in die mate. Maar jullie vragen er zelf om. De miljoenen euro die de Ronsenaars een halve eeuw ontzegd werden, staan hier bij elke Ronsese burgemeester en ere-burgemeester voor altijd in het geheugen. Rekening komt zo.

Systematische bestuurlijke hinder.
Gemiste groei en gemiste bloei.
Gemiste schaalvergroting.
Gemist fusiegeld.
Plundering van diverse diensten.

Elke euro die aldus al vijftig jaar lang uit de zakken van de Ronsenaars werd geschud tot meerdere eer en glorie van elders, wordt bij deze opgelijst voor die ene mega-schadeclaim: de onvermijdelijke inhaalbeweging die Wallo-Brux & Vlaanderen samen Ronse verschuldigd zijn. Ronse heeft evenveel grondwettelijk recht op bloei en groei als al zijn fusieburen.

Met links of rechts extremisme en populisme heeft dat allemaal en helemaal niks te maken. Sans moi. Wel met schrijnende armoede, torenhoge werkloosheid, foute cijfers alom. Veel meer dan die nationalistische romantiek uit de tijd van Johann Gottfried Herder (1744-1803, check) en de navenante grote verhalen over natie en identiteit, is taal voor de jonge Ronsese generaties een middel voor een goede ontmoeting, mooie menselijke meerwaarde, connectie, een fijn chatgesprek, een correcte deal. En vooral: vooruitgang, bloei, vrijheid, blijheid.

Ronse is een vredige stad. De schaarse incidenten die er in Ronse waren, konden we exact inschatten aan de paar camions met prachtige gendarmerie-paarden en sporadische importrellen door mensen die in bussen van elders waren gekomen, om hier op een blauwe zaterdag een straatbord af te vijzen of een Duitse cameraman het ziekenhuis in te slaan. Dan vlug naar het voetbal. Niks mee te maken als Ronsenaars.

En zie, alweer wordt vandaag de oude politieke trukendoos bovengehaald waaruit elke partij, elk netwerkje, elke schreeuwer van extreemrechts, elke ideologische dweper van extreemlinks, elke intellectuele importopportunist van Groen zijn eigen programma komt etaleren om van Ronse het hippe Berlijn te maken of de werklozen in busjes naar de West-Vlaanders op transport te zetten om aldus de werkloosheid van Ronse op te lossen. Vooral om zich eens te profileren bij het kiezerspubliek op de kap van alle onthaalhoffelijke Ronsenaars tuupe. Seen that. Been there. Same old story. Same old song.

Ronse Vlaams,
Vlaamser,
Vlaamst .
Renaix Bilingue,
Multilingue,
Mais c’est
dingue.


Het opbod is als de erfenis van Johnny Halliday waarbij eenieder zijn zegje doet en dan: bedankt voor uw media-ààààndacht. Tot slot van deze brief dit ene vraagje. Als u het niet laten kan om in de media samen met Waals minister Jean-Luc Crucke van het gefusioneerde Frasnes uit te halen naar de mensen van jullie geboortestad Ronse (‘Ils peuvent toujours courir, ze keunen olted lupen’ zoals onlangs in Le Vif/L'Express), als jullie toch zo hoog van de toren menen te moeten blazen dat jullie geen faciliteiten nodig hebben om de vele Vlamingen in jullie overigens prachtig Pays des Collines van Frasnes tot Doornik ter wille te zijn: waarom claimen jullie die dan ondertussen wel zo hard voor Ronse? Ha bon.

Aan Rudy Demotte, Minister-President
van de Federatie Wallo-Brux.
Ronsenaar van geboorte.