18 mei 2018

TOUT LE MONDE IL EST BEAU



‘Poil de Carotte’.

La Peugeot 203 toit ouvrant sur ciel bouché s’enfonce dans les ruelles de La Trinité . Tous les regards se plongent sur moi. Jules Renard? Connais pas. J’en suis toujours à Marie Chapdelaine, ses chaumières et ses nounours. Le Grand Meaulnes qui me casse les coucougnettes. Je vous parle d’un temps que Coeur de Pirate ne peut pas connaître. Nono m’observe très satisfait de lui. Ma déconfiture a tout pour lui plaire.

‘Le malheur d’un con fait toujours plaisir à voir’.

Je pique un girophare à l’arrière de la Peugeot. Il s’en tape éperdument, Nono. Il me considère comme ce rabat-joie venu du plat pays. A se farcir le temps des vacances. A lui les amazones juteuses en Solex, genre Janique Aimée à la télé. Il me laisse les béguinages d’un ciel Flamand si bas qu’un autre écorché vif que moi s’y est perdu avant de venir grater sa gitare au Lapin Agile. Toutes les choses de la vie, je viens les découvrir par tout ce que Nono voudra bien m’en dévoiler. Lui qui connaît si bien les divas du Golfe Drouot. Lui qui sait tout sur le zizi, même celui du pape.

‘Poil de Carotte, moi?’

C’est tante Nini avec son tendre sourire éternel, qui m’a rasé la boule à zéro. Question de déclarer une fois pour toutes la querre totale aux puces qui hantent nos collèges et patronages d’avant Napoléon. Nono est mon héros. Il sait tout ce que moi, le moins que rien entre tous les Petits Riens réunis du Padre Pio, j’ignore encore.

‘Comment ils ont fait pour nous faire nos vieux’.

Queue basse je capte tout en vrac. Les maladies honteuses des coulisses de Pigalle, la chaude pisse, la folie de Guy de Maupassant à quatre pattes. Flaubert et son complice Théophile Gaultier en Egypte.

Tropiques du Cancre Nono.


Je l’écoute des heures durant. Bouche bée. Docile comme un chien perdu sans papa. Vu que mon géniteur a eu la bonne idéé ou plutôt l’envie pressante de me concevoir (avec déjà le mot con en germe) très date limite. In extremis. Juste avant de disparaître comme un voleur de destin (le mien) dans la nuit étoilée. Selon les dires des bonnes Soeurs de la Miséricorde pour y préparer d’avance ma place tout près de lui au paradis des fantômes.

Quant à Nono: la vie lui fait visiblement le plein de cadeaux. Blazer bleu nuit. Noeud papillon avec ou sans Bécaud. Pantalon au pli parfait. Le tout à mettre Yves Saint-Laurent sur le cul, façon d’écrire.

Le vent est au rire.
Le vent est au blé .

Six décennies plus près des étoiles je m’interroge. Je l’ai perdu de vue depuis belle lurette mon Nono. En scribrouillant les dernières tranches de cette étrange de vie je pense à lui et à tout ce beau petit monde enseveli.

J’en vois qui
revendiquent
qui protestent.
moi je ne demande rien
ni à la lune
ni aux diseuses
de bonne fortune.
je ne fais qu’un geste
le temps qui me reste
j’écris de jour
j'écris de nuit
tout en écoutant
du dehors l'incessant
tapage de l'éphémère
la futilité des bruits.


Je trempe ma plume à l’encre de l’imagination d’une autre vie.
Dans laquelle tout le monde il est beau et tout le monde il est gentil.

‘ETRANGE DE VIE'.
Ceci est un extrait de French Collection.
Copyright: Stéphane Vancaeneghem.
(Illustration: Michel Provost).

14 mei 2018

VRIJBLIJVEND

NATIONALISME ALS PLACEBO



Overal en nergens zitten ze. Zij die ons houvast gaan verschaffen. Die ons hun vijandbeelden aanreiken. Die de hunker naar het ‘eigen volk eerst’ aanpoken. Het alomtegenwoordig razendsnel mutatievermogen van de octopus genaamd nationalisme in al zijn zachte en harde uiteenlopende verschijningsvormen is echter zelf een onderdeel van het Europese probleem: niet de oplossing. Nationalisme is het symptoom, niet het geneesmiddel. In ‘Nationalisme’ (Amsterdam University Press) diagnostiseert Joep Leerssen de ziekte, fileert hij vlijmscherp de placebo. Met indrukwekkende eruditie.

Rodenbach (nièt het pittig bruintje) met zijn Blauwvoet. Conscience met zijn ridderheroïek. Jan Breydel (met zijn stadion, zijn gerookte ham) en Pieter De Coninck (met zijn wevers en zijn Bolleke) ze krijgen allemaal hun herziene versie in de heldenverering die ons als pubers is meegegeven in tal van liedekijns, blauwvoeterie en kleffe priester-lerarenfrustratie. Het was lang voor ‘Kartouchke’ van wentelpater Versteylen en de bevrijdende lichte meisjes van Louis De Lentdecker. Maar wat is nationaliteit en waar gààt dat nationalisme dan eigenlijk wel over?

Dat vraagt de Franse auteur Ernest Renan zich in 1882 al af in Qu’est-ce qu’une nation? Renan schrijft zijn inmiddels tot klassieker verheven werk uit pure Franse koleire na de Pruisisch-Duitse annexatie van Elzas-Lotharingen in 1871. Hij pikt het niet dat zijn goede vrienden, de kamergeleerden Mommsen en David Friedrich Strauss die Pruisische annexatie zomaar vrolijk goedpraten, zogezegd ‘op antropologische en historische gronden’. (Zoals Heiddeger in zijn Zeit even de andere kant opkijken zou vanop zijn universitair nazi-zitje. Zoals Jean-Jacques Rousseau lang voor hem vrolijk tal van kinderen verwekte die dan volgens zijn persoonlijk Contrat Social gerust te vondeling mochten worden gelegd. En vertu des grands principes et des grands sentiments.)

Nationalisme als verrekijker om een grijs verleden dichterbij te halen en goed te praten? Het geeft je een tunnelvisie. Het blokkeert het hele perifere middenveld om je heen. Eer je het in de gaten krijgt, kom je zoals William Butler Yeats (de gangmaker van de Irish Literary Revival ) en Manuel Murguia ( de voorman van het Galicisch regionalisme) uit op de mistige mythen van de Kelten zonder nog het plaatje van vandaag te zien. Wat schiet je ermee op, in een Europa dat van binnen ondermijnd wordt door Europa-haters van Hongarije en Polen tot Italië terwijl ondertussen globalisme, Trumpisme, internationaal monopolisme, brutaal neo-liberalisme de plak zwaaien boven het opgewarmd hoofd van de Europese zwerfvuil-plogger aan de zelfkant.

Veel van die Europese uitdagingen vandaag hebben volgens Joep Leerssen, hoogleraar Europese Studies Universiteit van Amsterdam, te maken met de verdamping van de oude Europese kolonïen en de instroom van migranten uit die voormalige koloniën of Europese periferieën. Hun hardnekkige belijdenis van een diep gevoelde religieuze identiteit staat in die snelle evolutie haaks op wat in het een gemaakte Europa als een voortschrijdend en onomkeerbaar moderniseringsproces wordt beschouwd: secularisatie en scheiding tussen kerk en staat. Ondertussen moeten de Europese landen ook nog altijd in het reine komen met de diepgewortelde herinneringen aan hun onderlinge vijandschappen en strijdige belangen. En met alle vastgeroeste clichés van dien. De oppervlakkige Fransman. De bier heffende Duitser. De linke Griek. De gemene Brit. De Belgenmop omtrent Papy la Frite. Die verdeeldheid probeert Europa wel nog zonder veel resultaat te bezweren met de sleetse formule van eenheid-in-verscheidenheid. Dwars door dit alles heen dendert dan ook nog de polarisering tussen islamisme en etno-populisme.

Overal en nergens zitten diegenen die in deze verwarde situatie houvast zeggen te verschaffen, hapklare vijandbeelden aanreiken, de illusie van een vage eigen identiteit. Volgens Ernest Renan is nationaliteit echter een houding, een zich-bekennen-tot-de-natie. Mensen hebben een nationale identiteit, niet omdat ze dat als natuurwet of noodlot opgelegd krijgen, maar ten gevolge van een keuze, een identificatie. Die identificatie is vaak impliciet en vanzelfsprekend. Het is voortdurend hernieuwde volksraadpleging. Wie de wetten gehoorzaamt, belastingen betaalt, het landelijk gezag als het zijne of het hare aanvaardt en zich herkent in de gemeenschappelijkheid van de nationale samenleving, bekent zich ipso facto tot een nationaliteit.

Eenieder kan zich vandaag nog steeds vinden in Renans anti-deterministisch voluntarisme. Dat legt de klemtoon, niet op de omstandigheden waarin naties ontstaan, wel op de concrete keuzes die binnen die omstandigheden worden gemaakt. Als daar zijn: de scheiding tussen kerk en staat. Secularisatie. Burgerlijke mondigheid. Gendergelijkheid. In dit land en binnen het wettelijk kader: abortus en euthanasie. Freedom of speech.

Dat is het, heel concreet. Mijlenver van vage ongrijpbare abstracties als ‘identiteit’ of ‘cultuur’ die ons zoals in de teletijdmachine van professor Barrabas willen terug mikken naar de bevlogen en vervlogen romantiek en de mythologie van het zogenaamde Oude Avondland. Onder de sterrenhemel bij het kampvuur. Banjo in aanslag, muurbloempje in het geruite hemdsknoopsgat.

Oh breng me terug
naar die ouw Transvaal,
daar waar me Sari woon.


VRIJBLIJVEND.
Percepties & Impressies.